menu  

Joods Monument Arnhem
Joods Monument Arnhem

Bezetting

Op 10 mei 1940 valt het Duitse leger Nederland binnen, waarna een bezetting van vijf jaar volgt. Op den duur moet Nederland een deel van Duitsland worden. Om die reden benoemt Hitler een burgerlijk bestuur onder leiding van twee gedreven nazi's, Seys-Inquart als rijkscommissaris, en Rauter als hoofd van de SS en de politie. Binnen twee maanden, in juli, worden drie

maatregelen afgekondigd die joden als aparte groep behandelen.

  • Zij mogen geen lid meer zijn van de luchtbeschermingsdienst; zestien Joodse Arnhemmers worden uit de LBD ontslagen.
  • Joden mogen niet meer in Duitsland werken (!)
  • Er komt een verbod op de rituele slacht.

Alles bij elkaar niet al te opvallend voor niet-joden. Toch getuigt al in september 1940 een Arnhemse padvinder (scouting) van een helder maatschappelijk inzicht wanneer hij in het logboek schrijft: 'We verwachten grote moeilijkheden. Voorlopig zijn dit de laatste regels in dit journaal. Zekere lieden willen de band tussen Nederlanders onderling doorsnijden.'

Na de invoering van de algemene identificatieplicht volgt een maand later, in november 1940, de 'ariërverklaring'. Ambtenaren en bestuurders (leraren, postbeambten, leden van de Arnhemsche Orkestvereniging e.a.) moeten een verklaring ondertekenen waarbij wordt vastgesteld hoe Joods of niet-Joods zij zijn. Daarna worden joden ontslagen. 

 

(opheffingsberichten in Arnhemse Courant 18 april 1942)

In de zomer van 1941 moeten joden hun bezittingen laten registreren bij Lippmann-Rosenthal, een voormalige joodse bank die was overgenomen door de Duitse bezetter. Daarna zullen hun gelden en bezittingen overdragen worden naar deze bank. Het joodse bedrijfsleven wordt opgeheven. Winkels of kleine joodse ondernemingen worden geliquideerd. Grote of economisch belangrijke joodse bedrijven worden 'geariseerd', dat wil zeggen onteigend en voortgezet door niet-joden.

Op 7 en 8 oktober 1941 worden zeventig Joodse mannen in de provincie Gelderland opgepakt, onder hen zijn acht Arnhemmers. Zij komen niet meer terug. Onderduiken is vanaf dat moment een optie. Vrijstellingen blijken altijd tijdelijk, vluchten naar Zwitserland of een ander neutraal land is kostbaar, onzeker en gevaarlijk. Onderduiken is weliswaar een zenuwslopende aangelegenheid voor alle partijen, maar blijkt uiteindelijk het meest kansrijk om te overleven. In de loop van 1942 organiseren Utrechtse studenten hulp aan joodse kinderen, het Utrechts Kindercomité. In Arnhem is een filiaal van deze groep. In de politiebladen staan regelmatig berichten over 'Opsporing en arrestatie van Joden die zich nog verborgen houden' of over joden die hun huis (of de stad) 'heimelijk' hebben verlaten.

 

(Utrechtsestraat 85 met steenreliëf, hoofdkwartier van de beruchte Sicherheitsdienst 1940-1945)

Intussen worden werkloze joden opgeroepen voor werkkampen waar zij zwaar werk moeten verrichten op het land. Velen gaan, want werken in Nederland is altijd nog beter dan deportatie naar Mauthausen, een kamp waar nog nooit iemand van is terug gekomen. Sinds de Februaristaking in 1941 is dit kamp in Oostenrijk een schrikbeeld geworden, en er gaan ook al vage geruchten over kampen in Polen. De mensen worden min of meer rustig gehouden door te spreken over emigratie, niet over deportatie.

Steeds meer wordt het leven van joden beperkt, onmogelijk gemaakt. De toegang tot de dierentuin en het Openluchtmuseum aan de Schelmseweg is verboden, evenals voetballen bij Vitesse en andere clubs, zwemmen, film-, museum- of restaurantbezoek, wandelen in parken zoals Sonsbeek, logeren in hotels. Om de verboden kracht bij te zetten worden in de stad 470 kaarten en 35 houten borden geplaatst waarop de woorden 'Voor Joden verboden'. Verder is werken bij niet-joden verboden, evenals gebruik maken van het openbaar vervoer (het bezit van een fiets of een auto was al in een vroeg stadium verboden). De bezetter eist de oprichting van een Joodse school. Joden mogen geen contact meer hebben met niet-joden, bij Arnhemse of Duitse overheden hoeven zij dus niet meer aan te komen voor advies of klachten. Daarvoor is de Joodse Raad voor Amsterdam, afdeling Arnhem, opgericht. De juristen M.J. Wolff en A. Roselaar zijn voorzitter en vice-voorzitter, de overige leden zijn ondernemers. De Raad organiseert onder meer cursussen voor volwassenen. Vanaf 3 mei 1942 zijn joden verplicht een gele ster te dragen. Op de Kippenmarkt 1 liggen ze op 1 mei klaar, vier sterren per persoon, kosten vier cent per stuk en een textielpunt.

 

(foto onder Kippenmarkt situatie 2020, zelfde standpunt als op foto 1930 hieronder)


(foto Kippenmarkt in 1930 met rechts in de hoek het Rabbinaatshuis en de Nederlands Israëlitische Godsdienstschool)


De werkkampen blijken een val te zijn. Op 3 oktober 1942 worden Joodse mannen die in de kampen verblijven, naar het doorgangskamp in Westerbork gedeporteerd, en vervolgens hun vrouwen en kinderen die op dat moment nog thuis waren. Dit onder het mom van gezinshereniging. De bevolking in Westerbork is dan gegroeid tot een aantal van 12.000, de meeste mensen worden al snel naar de vernietigingskampen in het oosten weggevoerd. Nog in hetzelfde jaar organiseert de Duitse bezetter in Arnhem twee grote acties: op 17 november en op 10 december. Het officiële doel is joden in te zetten voor de werkverruiming in Duitsland. In november kunnen de mensen daar nog enigszins geloof aan hechten, de hoop koesteren, want het gaat om relatief jonge mensen. Die twijfel houdt op als in december ook oude en zieke mensen worden opgehaald, onder wie de bewoners van Beth Miklot Lezikno, het Joods bejaardenhuis aan de Markt 5. Zie ook https://gelderland.75jaarvrijheid.nl/1942/2148359/jodenjacht-in-gelderland-de-nacht-dat-honderden-joden-worden-afgevoerd-naar-westerbork

(foto kamp Westerbork najaar 1942 Bron: 75 jaar vrijheid)

Op 29 maart 1943 moeten de joden die nog in Arnhem aanwezig zijn, een reisvergunning afhalen om naar kamp Vught te kunnen afreizen. De 'beschikking' staat aangekondigd in de Arnhemsche Courant.

Op dezelfde pagina wordt in een artikel gewaarschuwd voor het verbergen van joden en 'jodenbegunstiging'. Namen van personen die om dit 'vergrijp' naar een concentratiekamp zijn gebracht, worden in het artikel genoemd. Het stukje eindigt met de mededeling dat 'in een groeiend aantal gevallen van straf kon worden afgezien, daar personen die joden verborgen hielden, vrijwillig daarvan aangifte deden.'

Op 8 april 1943 vertrekt de laatste groep joden uit Arnhem naar kamp Vught. Het zijn voornamelijk medewerkers van de Joodse Raad en een aantal statelozen die misschien over het hoofd waren gezien. 

(foto kamp Vught)


De voorzitters van de Joodse Raad, afdeling Arnhem, overleven oorlog en vervolging, evenals Leendert Boas, de voorzanger. Opperrabbijn Joël Vredenburg woonde in zijn Arnhemse tijd aan het Eusebiusplein, maar is inmiddels in Amsterdam een natuurlijke dood gestorven. Rabbijn Abraham Salomon Levisson die woonde en werkte in Leeuwarden, wordt zijn 'voorlopige' opvolger. Voorlopig, omdat er geen opvolger is voor het noorden van het land en een verhuizing naar de Kastanjelaan in Arnhem onmogelijk blijkt. Over kerkelijke zaken overlegt hij veelal schriftelijk. Kerkbesturen en particulieren ontvangen zijn brieven vanuit Leeuwarden en vanaf het bureau aan de Kippenmarkt in Arnhem. Begin 1943 was hij gedwongen geweest om te verhuizen naar Amsterdam, evenals andere joden uit de provincie, ook Arnhemmers. Vanuit de hoofdstad blijft hij de mensen steunen bij vragen op religieus gebied. Abraham Levisson overleeft Bergen Belsen, maar overlijdt in april 1945 in Tröbitz door ziekte en uitputting.

 

Ongeveer vijftienhonderd mensen uit Arnhem kwamen in de kampen om het leven. Sommigen van hen woonden al generatieslang in de stad, anderen nog maar kort.

 

(foto kamp Westerbork 75 jaar vrijheid)

 

Het Monument aan de Kippenmarkt / Jonas Daniël Meijerplaats werd in 2019 geplaatst. De lijst met namen moeten er voor zorgen dat zij in onze herinnering blijven.

Geschiedenis

Bezetting

Op 10 mei 1940 valt het Duitse leger Nederland binnen, waarna een bezetting van vijf jaar volgt. Op den duur moet Nederland een deel van Duitsland worden. Om die reden benoemt Hitler een burgerlijk bestuur onder leiding van twee gedreven nazi's, Seys-Inquart als rijkscommissaris, en Rauter als hoofd van de SS en de politie. Binnen twee maanden, in juli, worden drie

maatregelen afgekondigd die joden als aparte groep behandelen.

  • Zij mogen geen lid meer zijn van de luchtbeschermingsdienst; zestien Joodse Arnhemmers worden uit de LBD ontslagen.
  • Joden mogen niet meer in Duitsland werken (!)
  • Er komt een verbod op de rituele slacht.

Alles bij elkaar niet al te opvallend voor niet-joden. Toch getuigt al in september 1940 een Arnhemse padvinder (scouting) van een helder maatschappelijk inzicht wanneer hij in het logboek schrijft: 'We verwachten grote moeilijkheden. Voorlopig zijn dit de laatste regels in dit journaal. Zekere lieden willen de band tussen Nederlanders onderling doorsnijden.'

Na de invoering van de algemene identificatieplicht volgt een maand later, in november 1940, de 'ariërverklaring'. Ambtenaren en bestuurders (leraren, postbeambten, leden van de Arnhemsche Orkestvereniging e.a.) moeten een verklaring ondertekenen waarbij wordt vastgesteld hoe Joods of niet-Joods zij zijn. Daarna worden joden ontslagen. 

 

(opheffingsberichten in Arnhemse Courant 18 april 1942)

In de zomer van 1941 moeten joden hun bezittingen laten registreren bij Lippmann-Rosenthal, een voormalige joodse bank die was overgenomen door de Duitse bezetter. Daarna zullen hun gelden en bezittingen overdragen worden naar deze bank. Het joodse bedrijfsleven wordt opgeheven. Winkels of kleine joodse ondernemingen worden geliquideerd. Grote of economisch belangrijke joodse bedrijven worden 'geariseerd', dat wil zeggen onteigend en voortgezet door niet-joden.

Op 7 en 8 oktober 1941 worden zeventig Joodse mannen in de provincie Gelderland opgepakt, onder hen zijn acht Arnhemmers. Zij komen niet meer terug. Onderduiken is vanaf dat moment een optie. Vrijstellingen blijken altijd tijdelijk, vluchten naar Zwitserland of een ander neutraal land is kostbaar, onzeker en gevaarlijk. Onderduiken is weliswaar een zenuwslopende aangelegenheid voor alle partijen, maar blijkt uiteindelijk het meest kansrijk om te overleven. In de loop van 1942 organiseren Utrechtse studenten hulp aan joodse kinderen, het Utrechts Kindercomité. In Arnhem is een filiaal van deze groep. In de politiebladen staan regelmatig berichten over 'Opsporing en arrestatie van Joden die zich nog verborgen houden' of over joden die hun huis (of de stad) 'heimelijk' hebben verlaten.

 

(Utrechtsestraat 85 met steenreliëf, hoofdkwartier van de beruchte Sicherheitsdienst 1940-1945)

Intussen worden werkloze joden opgeroepen voor werkkampen waar zij zwaar werk moeten verrichten op het land. Velen gaan, want werken in Nederland is altijd nog beter dan deportatie naar Mauthausen, een kamp waar nog nooit iemand van is terug gekomen. Sinds de Februaristaking in 1941 is dit kamp in Oostenrijk een schrikbeeld geworden, en er gaan ook al vage geruchten over kampen in Polen. De mensen worden min of meer rustig gehouden door te spreken over emigratie, niet over deportatie.

Steeds meer wordt het leven van joden beperkt, onmogelijk gemaakt. De toegang tot de dierentuin en het Openluchtmuseum aan de Schelmseweg is verboden, evenals voetballen bij Vitesse en andere clubs, zwemmen, film-, museum- of restaurantbezoek, wandelen in parken zoals Sonsbeek, logeren in hotels. Om de verboden kracht bij te zetten worden in de stad 470 kaarten en 35 houten borden geplaatst waarop de woorden 'Voor Joden verboden'. Verder is werken bij niet-joden verboden, evenals gebruik maken van het openbaar vervoer (het bezit van een fiets of een auto was al in een vroeg stadium verboden). De bezetter eist de oprichting van een Joodse school. Joden mogen geen contact meer hebben met niet-joden, bij Arnhemse of Duitse overheden hoeven zij dus niet meer aan te komen voor advies of klachten. Daarvoor is de Joodse Raad voor Amsterdam, afdeling Arnhem, opgericht. De juristen M.J. Wolff en A. Roselaar zijn voorzitter en vice-voorzitter, de overige leden zijn ondernemers. De Raad organiseert onder meer cursussen voor volwassenen. Vanaf 3 mei 1942 zijn joden verplicht een gele ster te dragen. Op de Kippenmarkt 1 liggen ze op 1 mei klaar, vier sterren per persoon, kosten vier cent per stuk en een textielpunt.

 

(foto onder Kippenmarkt situatie 2020, zelfde standpunt als op foto 1930 hieronder)


(foto Kippenmarkt in 1930 met rechts in de hoek het Rabbinaatshuis en de Nederlands Israëlitische Godsdienstschool)


De werkkampen blijken een val te zijn. Op 3 oktober 1942 worden Joodse mannen die in de kampen verblijven, naar het doorgangskamp in Westerbork gedeporteerd, en vervolgens hun vrouwen en kinderen die op dat moment nog thuis waren. Dit onder het mom van gezinshereniging. De bevolking in Westerbork is dan gegroeid tot een aantal van 12.000, de meeste mensen worden al snel naar de vernietigingskampen in het oosten weggevoerd. Nog in hetzelfde jaar organiseert de Duitse bezetter in Arnhem twee grote acties: op 17 november en op 10 december. Het officiële doel is joden in te zetten voor de werkverruiming in Duitsland. In november kunnen de mensen daar nog enigszins geloof aan hechten, de hoop koesteren, want het gaat om relatief jonge mensen. Die twijfel houdt op als in december ook oude en zieke mensen worden opgehaald, onder wie de bewoners van Beth Miklot Lezikno, het Joods bejaardenhuis aan de Markt 5. Zie ook https://gelderland.75jaarvrijheid.nl/1942/2148359/jodenjacht-in-gelderland-de-nacht-dat-honderden-joden-worden-afgevoerd-naar-westerbork

(foto kamp Westerbork najaar 1942 Bron: 75 jaar vrijheid)

Op 29 maart 1943 moeten de joden die nog in Arnhem aanwezig zijn, een reisvergunning afhalen om naar kamp Vught te kunnen afreizen. De 'beschikking' staat aangekondigd in de Arnhemsche Courant.

Op dezelfde pagina wordt in een artikel gewaarschuwd voor het verbergen van joden en 'jodenbegunstiging'. Namen van personen die om dit 'vergrijp' naar een concentratiekamp zijn gebracht, worden in het artikel genoemd. Het stukje eindigt met de mededeling dat 'in een groeiend aantal gevallen van straf kon worden afgezien, daar personen die joden verborgen hielden, vrijwillig daarvan aangifte deden.'

Op 8 april 1943 vertrekt de laatste groep joden uit Arnhem naar kamp Vught. Het zijn voornamelijk medewerkers van de Joodse Raad en een aantal statelozen die misschien over het hoofd waren gezien. 

(foto kamp Vught)


De voorzitters van de Joodse Raad, afdeling Arnhem, overleven oorlog en vervolging, evenals Leendert Boas, de voorzanger. Opperrabbijn Joël Vredenburg woonde in zijn Arnhemse tijd aan het Eusebiusplein, maar is inmiddels in Amsterdam een natuurlijke dood gestorven. Rabbijn Abraham Salomon Levisson die woonde en werkte in Leeuwarden, wordt zijn 'voorlopige' opvolger. Voorlopig, omdat er geen opvolger is voor het noorden van het land en een verhuizing naar de Kastanjelaan in Arnhem onmogelijk blijkt. Over kerkelijke zaken overlegt hij veelal schriftelijk. Kerkbesturen en particulieren ontvangen zijn brieven vanuit Leeuwarden en vanaf het bureau aan de Kippenmarkt in Arnhem. Begin 1943 was hij gedwongen geweest om te verhuizen naar Amsterdam, evenals andere joden uit de provincie, ook Arnhemmers. Vanuit de hoofdstad blijft hij de mensen steunen bij vragen op religieus gebied. Abraham Levisson overleeft Bergen Belsen, maar overlijdt in april 1945 in Tröbitz door ziekte en uitputting.

 

Ongeveer vijftienhonderd mensen uit Arnhem kwamen in de kampen om het leven. Sommigen van hen woonden al generatieslang in de stad, anderen nog maar kort.

 

(foto kamp Westerbork 75 jaar vrijheid)

 

Het Monument aan de Kippenmarkt / Jonas Daniël Meijerplaats werd in 2019 geplaatst. De lijst met namen moeten er voor zorgen dat zij in onze herinnering blijven.

 

Locatie Joods Monument Arnhem:
Kippenmarkt/Jonas Daniël Meijerplaats