menu  

Joods Monument Arnhem
Joods Monument Arnhem

Het dagboek van Ada Goldsmid

De Arnhemse Ada (Alida) Goldsmid (1921-1966) is op 29 maart 1940 negentien jaar geworden. In mei sluit ze haar eerste dagboek af en begint aan haar tweede (1940-1942). Ada is een levenslustige jonge vrouw met veel vriendinnen, vrienden, verliefdheden en vriendjes, zo blijkt uit haar dagboek. Zij houdt van gezelligheid, mooie kleren, uitgaan en dansen. Ada reist regelmatig naar vrienden en familie in het land. Uitgaan doet ze vaak met Siny Franken uit de Rodenburgstraat 31, haar iets jongere nicht van moederskant. In de binnenstad van Arnhem wonen veel Joden en bijna iedereen kent elkaar. Het is een bloeiende en hechte gemeenschap, ook al zijn er verschillen in ontwikkeling en inkomen, zoals overal in verzuild Nederland van die tijd.

(Ada Goldsmid, mei 1939, foto Anja Hartog)

Het gezin Goldsmid
Het gezin Goldsmid woont aan de Pastoorstraat tegenover de sjoel (synagoge). De zes kinderen worden al vroeg wees. Moeder Lena Bachrach (1884-1921) overlijdt op 37 jarige leeftijd in het kraambed bij de geboorte van Ada. Vader Mozes Goldsmid (1883-1922), koopman van beroep, sterft een jaar later op 38 jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. De gevolgen voor het gezin zijn ingrijpend. De kinderen worden in het kinderthuis geplaatst of worden bij familie ondergebracht.

 

(Uitstapje Joodse school naar Valkeveen 1934 v.l.n.r., Ada Goldsmid, Siny Franken , Suze Goldsmid, foto Ella Vuulink-Hopaf)

Zoon Raphael (Rudolf), dochters Sara en Sibilla (Bella/Kitty) gaan naar het Centraal Israëlitisch Weeshuis in Utrecht, waar zij een opleiding kunnen krijgen en tot hun 21e kunnen verblijven. In hetzelfde weeshuis worden enige jaren later ook hun neefjes Simon en Maurits Bachrach ondergebracht na de vroege dood van hun vader David Bachrach in 1929.

Susanna (Suze) (1917- 1942) wordt opgenomen in het gezin van Salomon Bachrach op de Pastoorstraat in Arnhem. Zij gaat later naar Amsterdam, woont in Pension Frank op de Plantage Franschelaan 11 (nu Henri Polaklaan) en is hulp in de huishouding.


(boven v.l.n.r. Rafael/Rudolf en Suze, onder links Bella/Kitty rond 1939, foto Anja Hartog)

Sibilla (Bella/Kitty) (1915- 1943) trouwt met de onderwijzer Benjamin Meijer (1913- 1943). Zij wonen in 1941 met hun tweejarig zoontje Simon (1939-1943) op de Oranje Nassaulaan 41 in Utrecht (Jutphaas). Simon wordt in juni 1943 met het kindertransport uit kamp Vught op transport gesteld naar Sobibor. 


Raphael/Rudolf (1909-1943), d
e broer van Kitty/Bella, van beroep groothandelaar in papier, woont in 1941 bij Kitty en Benjamin op hetzelfde adres.


Niet ver van hen vandaan woont zus Sara. Sara (1912- 1942) trouwt met Nico van Zwaanenburgh (1913- 1942), bouwkundig opzichter van beroep. Het gezin woont in 1941 met hun vierjarig zoontje Siegfried (1937-1942) in Utrecht (Jutphaas) op de Verlengde Hoogravenseweg 113.


Marianne (1919-1943) trouwt in juli 1942 met Philip Cohen (1918-1943), zij wonen in 1941 op de Sarphatistraat 101 in Amsterdam.


De oorlog zal hen noodlottig worden: op één na worden alle kinderen en kleinkinderen van Mozes en Lena Goldsmid-Bachrach in de kampen vermoord. Ada verliest vier zussen, haar broer, drie zwagers, haar twee neefjes en haar pleegouders. Alleen Alida ((1921- 1966) of Ali zoals ze vóór en in de oorlog heet, overleeft de holocaust. Na de oorlog zal ze zich Ada gaan noemen.

In haar dagboek beschrijft ze hoe ze de eerste oorlogsjaren beleeft totdat zij in het najaar van 1942 in Amsterdam in de onderduik zal gaan.

 

Ada in pleeggezin
De kleine Ada wordt na de dood van haar vader en moeder, liefdevol opgenomen bij het echtpaar Michel Kruijer (1886-1943) en Jenny Fröhlig (1887-1943) aan de Staringstraat 12.



(Ada Goldsmid tussen haar pleegouders jaren dertig voor kapper Holtslag in de Arke Noachstraat, foto Anja Hartog)

Het echtpaar is in 1916 getrouwd en woont sinds 1917 in Arnhem. Jenny is Duitse van geboorte, maar woont al een tijdje in Nederland. Michel is koopman van beroep, Jenny is huisvrouw. Het  echtpaar heeft geen kinderen. Ada groeit bij hen op, gaat naar school en heeft later verschillende betrekkingen als dienstmeisje o.a. in Den Haag en Arnhem. Ook werkt ze bij de HEMA in Arnhem. Ze schrijft haar belevenissen op in twee dagboeken.


(Ada Goldsmid op haar 19e verjaardag 29 maart 1940 op de Staringstraat, foto Anja Hartog)

Hieronder staan fragmenten uit Ada’s tweede dagboek vanaf mei 1940. Ze laten zien hoe een jonge Arnhemse vrouw de beginjaren van de bezetting beleeft, een periode waarin de joodse bevolkingsgroep meer en meer wordt buitengesloten van elk normaal maatschappelijk leven.

Dagboekfragmenten 1940-1942
In de ochtend van 10 mei 1940 wordt Nederland door het Duitsland aangevallen. Het Nederlandse leger blaast de Rijnbrug en het spoorwegviaduct bij de KEMA op, maar rond elf uur is Arnhem al door de Duitsers bezet. Ada schrijft in haar dagboek:

 

[Vrijdag 10 mei 1940]

‘Oorlog!!! Vrijdag 10 mei 1940. Om nooit te vergeten. Bom, met een schok word ik wakker. Mijn bed schokt. Mijn moeder springt ook op. Schieten, zegt ze, er is oorlog….Alles staat op straat…ik ga me aankleden…de hele buurt stond buiten. Je hoorde maar steeds schieten..…de brug is al opgeblazen…Wat een gewaarwording. De brug weg. Onze mooie brug. Maar dat is nog maar het begin. Denk eens aan al die jongens en mannen. Tony (van Span) en ik wandelen de Hommelseweg eens af. Overal ruiten stuk. Het is pas 7 uur, maar alles is al op. Het is ontzettend druk op straat. Overal hangen bulletins. Duitsland heeft vannacht België, Luxemburg en Nederland aangevallen. Om 8 uur ga ik even naar de zaak. Natuurlijk hoef ik vandaag niet terug te komen. Alle zaken zijn gesloten. Wij zijn de hele dag buiten. Met iedereen praat je. Hoor je een vliegmachine, dan hol je naar binnen, naar mijn slaapkamertje en ieder ogenblik denk je door een bom getroffen te worden….Het is prachtig weer, maar niemand let er op…we zitten met zijn allen op de stoep bij ons Tony van Span, Worms en Westerhof. Mevrouw Versteur haar man is ook in dienst en denkt dat die al dood is…Om half twaalf waren de Duitsers al hier en waren hier de baas. Het is eerst wel vreemd als je die Duitsers zag. Vooral die stoottroepen. Eerst durfde je er niet langs, maar ze doen niets als de burgers zich ook maar rustig gedragen. Enkelen zijn gearresteerd. Ook een paar dood, maar er wordt zoveel verteld…vannacht gaan we met de kleren aan naar bed. Was de nacht maar vast om. ANP kunnen we ook niet meer krijgen. Is al geheel afgesloten. Op je eigen toestel nog wel, maar je mag er niet naar luisteren’.
(Goldsmid, tweede dagboek 1940-1942)

Na de Duitse inval probeert de bezetter het 'Germaanse' Nederland te nazificeren. De Arnhemmers passen zich zo goed en kwaad aan de nieuwe situatie aan. Vrijwel meteen worden de eerste anti Joodse maatregelen afgekondigd en krijgen Joden minder bewegingsvrijheid. In de jaren daarop wordt het leven van hen stelselmatig beperkt en onmogelijk gemaakt. In het oorlogsjaar 1941 schrijft Ada:

 

[29 augustus 1941]

‘Het is nog steeds oorlog en alles is even saai. We mogen niet dansen. De Joden mogen niet naar bioscopen en café’s.…We hebben het de hele winter enig leuk gehad. Vooral heb ik veel geboemeld, maar nu, sinds juli is alles even saai. Zondags verveel ik me dood’. (Goldsmid, ingekort citaat)


(Ada Goldsmid rechts met nicht Siny Franken links, Arnhem 6 juli 1941, foto Ella Vuulink- Hopaf)


[September 1941]

’s Avonds zijn Siny en ik ons in gaan schrijven bij Bauling* …we mogen nog komen, tenzij hij bericht krijgt…Siny had de krant gelezen en wij mogen niet naar Bauling…wat een strop he. Nu hebben wij helemaal niets meer. Er stond een huwelijksadvertentie in de krant en daar heb ik voor de lol op geschreven….Zal mij benieuwen…..vanavond even bij Bauling geld opgehaald. ’t Speet hem wel, maar hij kan er ook niets aan doen. Siny en ik zullen zien zelf een club op te richten, maar het is zo gek om jongens te vragen. Hadden we maar een lover’.
(Goldsmid, ingekort citaat)

*dansinstituut Carl F.Bauling te Arnhem


(Arnhemse Courant 2
3 september 1938)



Op 7 en 8 oktober 1941 worden zeventig Joodse mannen in Gelderland opgepakt, onder hen tenminste zeven Arnhemmers. De bezetter wil Joden angst aanjagen en ervoor zorgen dat ze zich vogelvrij voelen. De mannen worden in de Willemskazerne gevangen gezet en na een paar dagen op transport naar Mauthausen gezet. Zij sterven daar aan ontberingen, de laatste in november. 
Ada schrijft daarover:

 

[27 oktober1941]

Woensdag na 5 oktober, dus 8 oktober, zijn werkelijk de Joden opgehaald. De meesten waren weg. Vader is eigenwijs en gaat niet weg. Gelukkig heeft hij een attest van de dokter gekregen. Er zijn in het geheel 10 of 12 mee. Vreselijk he. Een oom van Bep ook. En de vader van Harry S. Het is niet te beschrijven wat een dag dat was. Het is nu gelukkig rustig. De meesten zijn thuis ’s nachts. Wie weet wat we allemaal nog moeten meemaken. Ik hoop dat ik alles later kan navertellen, dagboek. Maar deze tijd is erg. We gaan ’s zondags soms wandelen.
(Goldsmid, ingekort citaat)

[3 november 1941]

Dan ik: ik verveel me dood. Net een oude vrijster. Ben ook geabonneerd op het Joodse krantje*. Wanneer krijgen we een leukere tijd?? We mogen niet meer reizen. Het wordt hoe langer hoe mooier. Vanavond blijf ik thuis met een boek. Degelijk he? Dagboek, je bent wel wat anders gewend he. Zal het nog eens veranderen?
(Goldsmid, ingekort citaat)

 *mogelijk wordt hier bedoeld het Joodsche Weekblad, een uitgave van de Joodsche Raad, Het blad verscheen als enige toegestane Joodse uitgave van april 1941 tot en met september 1943. Het stond onder Duitse censuur en bevatte de officiële mededelingen (vooral geboden en verboden) van de bezetter aan de Joden.

[13 november1941]

Lang niet meer geschreven he. Er gebeurt ook niet bijzonders. Elke dag is eender. Werken-eten-slapen. Bah. Om gek te worden. Eten is ook niets meer aan: theesurrogaat, koffiesurrogaat, cacaosurrogaat. Repen zijn niet meer te krijgen. Een heleboel kinderen lopen op klompen. Het wordt nu bijna echt “Holland op klompen”. Ik hoop dat mijn schoenen het nog maar even uitzingen. Ik hoop dat ik dit later nog eens bij een echt kopje koffie met slagroom of thee met melkchocolade zal overlezen….Ik kan elke dag wel brullen van verveling en verkniezing. Nu ga ik maar weer eens naar bed. Morgen weer werken enz. enz. De fuif bij Ans is over 4 dagen. Ik weet niet of ik gevraagd word. Wat een kladder allemaal, he, dat komt door mijn vulpen. Die lekt.
(Goldsmid, ingekort citaat)

[31 mei 1942]

Gisteren ben ik met Bep v.G. en Bep M. de stad in geweest en we hebben bij Bep thuis gezellig zitten praten. Bep v. G’s vader moet naar het kamp*. Wat rot he? Zo is er iedere keer wat anders. Ik ga vanmiddag met Max naar Dieren voor een fuif. Om 2 uur gaan we al weg. ’t Zal mij benieuwen hoe of dat wordt. Lijkt me wel knal, he? Nu, morgen meer hoor.
(Goldsmid, ingekort citaat)

 

*joodse mannen werden in 1942 gedwongen naar werkkampen in Nederland te gaan

 

[7 juni 1942]

Alweer een week later….met Max naar Dieren naar die fuif geweest. Het regende dat het goot, maar we hebben het toch reuze leuk gehad. Er was ook een hele knappe jongen….en ik heb veel met hem gedanst. Maar wij konden niets afspreken, want hij woont in Deventer en mogen wij helemaal niet reizen. We lopen al 4 weken met een ster als jood, een oranje ster*. We zijn er al helemaal aan gewend….vanavond zijn Bep v. G. en ik wezen fietsen naar Velp en vanavond gaan we naar restaurant Glazer**. Dat is weer wat nieuws: een joods café. Het zal mij benieuwen. Zal ik daar ook weer eens wat beleven. Vandaag kregen alle jongens bericht dat ze gekeurd voor het kamp*** moeten worden. Dan moeten ze allemaal weg. Kan leuk worden he? Was die oorlog maar vast afgelopen he; er komt geen eind aan en het wordt steeds beroerder. We mogen niets meer. Niet meer in parken komen, niet in bioscopen, café’s, schouwburgen enz. Niet zwemmen, niet reizen. En toch amuseren we ons wel. Nu dagboek, tot de volgende keer.
(Goldsmid, ingekort citaat)

 

*Vanaf 3 mei 1942 zijn joden verplicht een gele ster te dragen. Op de Kippenmarkt 1 liggen ze op 1 mei klaar, vier sterren per persoon, kosten vier cent per stuk en een textielpunt.

**mogelijk wordt hier bedoeld: hotel-restaurant Glazer Nieuwe Plein 34

***joodse mannen werden in 1942 gedwongen naar werkkampen in Nederland te gaan

 

[21 juni 1942]

Vandaag zijn we dus naar Dieren geweest. We zijn met de trein geweest. Dat mocht tot Dieren anders mogen we niet meer reizen…
(Goldsmid, ingekort citaat) |

[23 juni 1942]


We zijn met zijn viertjes, Bep 1 , Bep 2, Bep 3 en ik naar Glazer geweest. Was wel gezellig. We moeten ook de fietsen inleveren en kunnen dus niet meer fietsen. …(Goldsmid, ingekort citaat)


(Arnhem, 13 september 1942: Ada, in het midden met hond, met de Beppies, allen met gele ster, foto Anja Hartog)

 

[11 augustus 1942]

Wat een tijd niet meer geschreven he? Het is ook zo’n spannende tijd, dat je niet weet wat of je moet schrijven. In Amsterdam is het verschrikkelijk geweest. Alle joden tot 40 of ouder moesten naar Polen. Het komt hier eerdaags ook. En wat dan? Wat een toestand he. We gaan nog elke zondag naar Glazer en het is daar nog wel gezellig. Ik ben geblondeerd. Staat me wel.
(Goldsmid, ingekort citaat)

 

[14 september 1942]


Een maand niet geschreven. Er is in een maand geweldig veel gebeurd. S, R, S en N en het kind zijn naar Polen. Erg he. Zal ik ze nog eens weerzien. Hier zijn een heleboel mannen naar de kampen*, M en J ook. I. is naar Polen voor straf….ik ben weer zwart geverfd; blauw gewoon. Staat me mieters en houd ik het altijd zo. In Amsterdam is het nog steeds verschrikkelijk. Ik hoop maar dat het hier rustig blijft. Nu, verder geen nieuws en zal ik na afloop wel meer schrijven. Denk eens aan: elke avond om 8 uur thuis, geen bioscoop, geen Heck, geen dansen, nergens; op de bank mag je zitten, niet fietsen, trammen, reizen. Je kunt alleen nog wat lopen, eten, slapen. Wat een leven he. Hoelang nog? Als het al niet te laat is. (Goldsmid, ingekort citaat)


*joodse mannen werden in 1942 gedwongen naar werkkampen in Nederland te gaan

[25 oktober 1942]

Alweer een tijd niet geschreven. Er is in die tijd niets als narigheid gebeurd. Voor zeven weken was ik in Utrecht met reisvergunning en toen was er net een razzia. Hier ook. Heel veel bekenden zijn toen weg gehaald. En vorige week dinsdag is het weer geweest. Ze zijn ook bij ons geweest, maar mijn moeder was ziek en zijn we nog hier. Voor hoelang nog? Alles is bijna weg. Van de hele club zijn alleen Bep C. en ik over. Bep M. ligt in het ziekenhuis en weet niet waar haar moeder is. Ze heeft een open been. Wat een toestanden he. Dagboek jij bent een tijd uit huis geweest, dat ik dacht ook weg te moeten. Waar zal jij nog eens terecht komen. En ikzelf. Wat een tijd.
(Goldsmid, ingekort citaat)

 

Overleven in de onderduik

Met deze zinnen beëindigt Ada haar dagboek op 25 oktober 1942. Op de laatste bladzijde schrijft ze nog enkele passages op van het lied van Zarah Leander: “Sag mir nicht adieu”.

In november en december 1942 zijn de grote razzia’s in Arnhem. Als ook haar pleegouders worden weggehaald, weet Ada via de achtertuinen te ontvluchten. Zij duikt onder in de Lomanstraat in Amsterdam bij Hilde Romein, een verwante van de familie. Tante Hilde wordt ze genoemd. Anja Hartog, dochter van Ada, herinnert zich:

 

“Ik heb daar vroeger veel gelogeerd, bij tante Hilde. Zij heeft me het luik laten zien, waaronder mijn moeder zich verstopte als er een razzia was. Dat was gewoon in haar slaapkamer beneden, met een kleedje erover heen. Verder ging ze gewoon de stad in met geblondeerd haar en een vals persoonsbewijs. De zoon van tante Hilde woonde boven. Daar kwam ik als kind ook graag. Lieve man!”

Ada overleeft de oorlog op haar onderduikadres in Amsterdam. Haar pleegouders Michel Kruijer en Jenny Fröhlig worden in april 1943 in Sobibor vermoord. Nicht Siny Franken, haar ouders en broer zullen de oorlog overleven, eerst in de onderduik in Arnhem en later in kamp Westerbork, toen er - dankzij de Spoorwegstaking van 
1944 - geen treinen meer naar de vernietigingskampen reden. Ze mogen kamp Westerbork pas verlaten als ze een vast woonadres hebben. Ada woont intussen op de Plantage Kerklaan en neemt hen in juni 1945 in huis op. De steile trappen worden echter te bezwaarlijk voor de moeder Franken. De familie Franken verhuist naar Arnhem en gaan wonen op de Da Costastraat 2.


Een nieuw leven

Na de oorlog bouwt Ada een nieuw leven op. Ze trouwt in augustus 1945 met Christiaan Frederik Wouda (Willy), orthopedisch schoenmaker van beroep. Zij gaan wonen op de Plantage Kerklaan 4 in Amsterdam en krijgen een dochter. Op 4 november 1952 overlijdt Christiaan Wouda. Hun dochter is dan zes jaar. Een grote slag voor het gezin.

Drie jaar later in september 1955 hertrouwt Ada met Wim Zondervan, kleermaker van beroep. Uit het huwelijk wordt een dochter en een zoon geboren: Anja (1955) en Robert (1960). 'Ada haalde na de oorlog zoveel mogelijk uit het leven', vertelt dochter Anja. 'Zij maakte plezier, ging  geregeld de stad in, naar de markt, naar het strand in Zandvoort of naar de film. Ze deelde haar oorlogsverhalen met haar onderbuurvrouw op de Plantage Kerklaan'. Ook de drie kinderen krijgen die verhalen mee. Zij bouwen een eigen leven op en krijgen op hun beurt kinderen. Wim Zondervan overlijdt in 1990. Ada is dan al jaren geleden overleden op 13 april 1966. Ze heeft haar drie kleinzonen en haar drie achterkleinkinderen niet meer mogen meemaken.

Peter Jetten
met dank aan Anja Hartog en Ella Vuulink


Verwijzing

Op het digitale buurtmonument Sint Marten Sonsbeek te Arnhem is een verwijzing opgenomen naar dit artikel onder de titel Staringstraat 12, Oorlogsdagboek. Klik hier


Michel Kruijer en Jenny Kruijer -Fröhlig zijn opgenomen in het 
namenregister van deze site. 


Bronnen

Ada Goldsmid, Tweede dagboek 29-3-1940 tot en met 25 -10-1942, Arnhem 1942, (ongepubliceerde uitgave in eigen beheer)

Correspondentie Peter Jetten met Anja Hartog oktober/november 2021

Ella Vuulink-Hopaf, Siny haar leven, Arnhem 2016 (ongepubliceerde uitgave in eigen beheer)

Interview Peter Jetten met Ella Vuulink-Hopaf op 31 augustus 2021 en opvolgende correspondentie


joodsmonument.nl

 

Wikipedia

 

Delpher.nl > Arnhemse Courant 

Verhalen

Het dagboek van Ada Goldsmid

De Arnhemse Ada (Alida) Goldsmid (1921-1966) is op 29 maart 1940 negentien jaar geworden. In mei sluit ze haar eerste dagboek af en begint aan haar tweede (1940-1942). Ada is een levenslustige jonge vrouw met veel vriendinnen, vrienden, verliefdheden en vriendjes, zo blijkt uit haar dagboek. Zij houdt van gezelligheid, mooie kleren, uitgaan en dansen. Ada reist regelmatig naar vrienden en familie in het land. Uitgaan doet ze vaak met Siny Franken uit de Rodenburgstraat 31, haar iets jongere nicht van moederskant. In de binnenstad van Arnhem wonen veel Joden en bijna iedereen kent elkaar. Het is een bloeiende en hechte gemeenschap, ook al zijn er verschillen in ontwikkeling en inkomen, zoals overal in verzuild Nederland van die tijd.

(Ada Goldsmid, mei 1939, foto Anja Hartog)

Het gezin Goldsmid
Het gezin Goldsmid woont aan de Pastoorstraat tegenover de sjoel (synagoge). De zes kinderen worden al vroeg wees. Moeder Lena Bachrach (1884-1921) overlijdt op 37 jarige leeftijd in het kraambed bij de geboorte van Ada. Vader Mozes Goldsmid (1883-1922), koopman van beroep, sterft een jaar later op 38 jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. De gevolgen voor het gezin zijn ingrijpend. De kinderen worden in het kinderthuis geplaatst of worden bij familie ondergebracht.

 

(Uitstapje Joodse school naar Valkeveen 1934 v.l.n.r., Ada Goldsmid, Siny Franken , Suze Goldsmid, foto Ella Vuulink-Hopaf)

Zoon Raphael (Rudolf), dochters Sara en Sibilla (Bella/Kitty) gaan naar het Centraal Israëlitisch Weeshuis in Utrecht, waar zij een opleiding kunnen krijgen en tot hun 21e kunnen verblijven. In hetzelfde weeshuis worden enige jaren later ook hun neefjes Simon en Maurits Bachrach ondergebracht na de vroege dood van hun vader David Bachrach in 1929.

Susanna (Suze) (1917- 1942) wordt opgenomen in het gezin van Salomon Bachrach op de Pastoorstraat in Arnhem. Zij gaat later naar Amsterdam, woont in Pension Frank op de Plantage Franschelaan 11 (nu Henri Polaklaan) en is hulp in de huishouding.


(boven v.l.n.r. Rafael/Rudolf en Suze, onder links Bella/Kitty rond 1939, foto Anja Hartog)

Sibilla (Bella/Kitty) (1915- 1943) trouwt met de onderwijzer Benjamin Meijer (1913- 1943). Zij wonen in 1941 met hun tweejarig zoontje Simon (1939-1943) op de Oranje Nassaulaan 41 in Utrecht (Jutphaas). Simon wordt in juni 1943 met het kindertransport uit kamp Vught op transport gesteld naar Sobibor. 


Raphael/Rudolf (1909-1943), d
e broer van Kitty/Bella, van beroep groothandelaar in papier, woont in 1941 bij Kitty en Benjamin op hetzelfde adres.


Niet ver van hen vandaan woont zus Sara. Sara (1912- 1942) trouwt met Nico van Zwaanenburgh (1913- 1942), bouwkundig opzichter van beroep. Het gezin woont in 1941 met hun vierjarig zoontje Siegfried (1937-1942) in Utrecht (Jutphaas) op de Verlengde Hoogravenseweg 113.


Marianne (1919-1943) trouwt in juli 1942 met Philip Cohen (1918-1943), zij wonen in 1941 op de Sarphatistraat 101 in Amsterdam.


De oorlog zal hen noodlottig worden: op één na worden alle kinderen en kleinkinderen van Mozes en Lena Goldsmid-Bachrach in de kampen vermoord. Ada verliest vier zussen, haar broer, drie zwagers, haar twee neefjes en haar pleegouders. Alleen Alida ((1921- 1966) of Ali zoals ze vóór en in de oorlog heet, overleeft de holocaust. Na de oorlog zal ze zich Ada gaan noemen.

In haar dagboek beschrijft ze hoe ze de eerste oorlogsjaren beleeft totdat zij in het najaar van 1942 in Amsterdam in de onderduik zal gaan.

 

Ada in pleeggezin
De kleine Ada wordt na de dood van haar vader en moeder, liefdevol opgenomen bij het echtpaar Michel Kruijer (1886-1943) en Jenny Fröhlig (1887-1943) aan de Staringstraat 12.



(Ada Goldsmid tussen haar pleegouders jaren dertig voor kapper Holtslag in de Arke Noachstraat, foto Anja Hartog)

Het echtpaar is in 1916 getrouwd en woont sinds 1917 in Arnhem. Jenny is Duitse van geboorte, maar woont al een tijdje in Nederland. Michel is koopman van beroep, Jenny is huisvrouw. Het  echtpaar heeft geen kinderen. Ada groeit bij hen op, gaat naar school en heeft later verschillende betrekkingen als dienstmeisje o.a. in Den Haag en Arnhem. Ook werkt ze bij de HEMA in Arnhem. Ze schrijft haar belevenissen op in twee dagboeken.


(Ada Goldsmid op haar 19e verjaardag 29 maart 1940 op de Staringstraat, foto Anja Hartog)

Hieronder staan fragmenten uit Ada’s tweede dagboek vanaf mei 1940. Ze laten zien hoe een jonge Arnhemse vrouw de beginjaren van de bezetting beleeft, een periode waarin de joodse bevolkingsgroep meer en meer wordt buitengesloten van elk normaal maatschappelijk leven.

Dagboekfragmenten 1940-1942
In de ochtend van 10 mei 1940 wordt Nederland door het Duitsland aangevallen. Het Nederlandse leger blaast de Rijnbrug en het spoorwegviaduct bij de KEMA op, maar rond elf uur is Arnhem al door de Duitsers bezet. Ada schrijft in haar dagboek:

 

[Vrijdag 10 mei 1940]

‘Oorlog!!! Vrijdag 10 mei 1940. Om nooit te vergeten. Bom, met een schok word ik wakker. Mijn bed schokt. Mijn moeder springt ook op. Schieten, zegt ze, er is oorlog….Alles staat op straat…ik ga me aankleden…de hele buurt stond buiten. Je hoorde maar steeds schieten..…de brug is al opgeblazen…Wat een gewaarwording. De brug weg. Onze mooie brug. Maar dat is nog maar het begin. Denk eens aan al die jongens en mannen. Tony (van Span) en ik wandelen de Hommelseweg eens af. Overal ruiten stuk. Het is pas 7 uur, maar alles is al op. Het is ontzettend druk op straat. Overal hangen bulletins. Duitsland heeft vannacht België, Luxemburg en Nederland aangevallen. Om 8 uur ga ik even naar de zaak. Natuurlijk hoef ik vandaag niet terug te komen. Alle zaken zijn gesloten. Wij zijn de hele dag buiten. Met iedereen praat je. Hoor je een vliegmachine, dan hol je naar binnen, naar mijn slaapkamertje en ieder ogenblik denk je door een bom getroffen te worden….Het is prachtig weer, maar niemand let er op…we zitten met zijn allen op de stoep bij ons Tony van Span, Worms en Westerhof. Mevrouw Versteur haar man is ook in dienst en denkt dat die al dood is…Om half twaalf waren de Duitsers al hier en waren hier de baas. Het is eerst wel vreemd als je die Duitsers zag. Vooral die stoottroepen. Eerst durfde je er niet langs, maar ze doen niets als de burgers zich ook maar rustig gedragen. Enkelen zijn gearresteerd. Ook een paar dood, maar er wordt zoveel verteld…vannacht gaan we met de kleren aan naar bed. Was de nacht maar vast om. ANP kunnen we ook niet meer krijgen. Is al geheel afgesloten. Op je eigen toestel nog wel, maar je mag er niet naar luisteren’.
(Goldsmid, tweede dagboek 1940-1942)

Na de Duitse inval probeert de bezetter het 'Germaanse' Nederland te nazificeren. De Arnhemmers passen zich zo goed en kwaad aan de nieuwe situatie aan. Vrijwel meteen worden de eerste anti Joodse maatregelen afgekondigd en krijgen Joden minder bewegingsvrijheid. In de jaren daarop wordt het leven van hen stelselmatig beperkt en onmogelijk gemaakt. In het oorlogsjaar 1941 schrijft Ada:

 

[29 augustus 1941]

‘Het is nog steeds oorlog en alles is even saai. We mogen niet dansen. De Joden mogen niet naar bioscopen en café’s.…We hebben het de hele winter enig leuk gehad. Vooral heb ik veel geboemeld, maar nu, sinds juli is alles even saai. Zondags verveel ik me dood’. (Goldsmid, ingekort citaat)


(Ada Goldsmid rechts met nicht Siny Franken links, Arnhem 6 juli 1941, foto Ella Vuulink- Hopaf)


[September 1941]

’s Avonds zijn Siny en ik ons in gaan schrijven bij Bauling* …we mogen nog komen, tenzij hij bericht krijgt…Siny had de krant gelezen en wij mogen niet naar Bauling…wat een strop he. Nu hebben wij helemaal niets meer. Er stond een huwelijksadvertentie in de krant en daar heb ik voor de lol op geschreven….Zal mij benieuwen…..vanavond even bij Bauling geld opgehaald. ’t Speet hem wel, maar hij kan er ook niets aan doen. Siny en ik zullen zien zelf een club op te richten, maar het is zo gek om jongens te vragen. Hadden we maar een lover’.
(Goldsmid, ingekort citaat)

*dansinstituut Carl F.Bauling te Arnhem


(Arnhemse Courant 2
3 september 1938)



Op 7 en 8 oktober 1941 worden zeventig Joodse mannen in Gelderland opgepakt, onder hen tenminste zeven Arnhemmers. De bezetter wil Joden angst aanjagen en ervoor zorgen dat ze zich vogelvrij voelen. De mannen worden in de Willemskazerne gevangen gezet en na een paar dagen op transport naar Mauthausen gezet. Zij sterven daar aan ontberingen, de laatste in november. 
Ada schrijft daarover:

 

[27 oktober1941]

Woensdag na 5 oktober, dus 8 oktober, zijn werkelijk de Joden opgehaald. De meesten waren weg. Vader is eigenwijs en gaat niet weg. Gelukkig heeft hij een attest van de dokter gekregen. Er zijn in het geheel 10 of 12 mee. Vreselijk he. Een oom van Bep ook. En de vader van Harry S. Het is niet te beschrijven wat een dag dat was. Het is nu gelukkig rustig. De meesten zijn thuis ’s nachts. Wie weet wat we allemaal nog moeten meemaken. Ik hoop dat ik alles later kan navertellen, dagboek. Maar deze tijd is erg. We gaan ’s zondags soms wandelen.
(Goldsmid, ingekort citaat)

[3 november 1941]

Dan ik: ik verveel me dood. Net een oude vrijster. Ben ook geabonneerd op het Joodse krantje*. Wanneer krijgen we een leukere tijd?? We mogen niet meer reizen. Het wordt hoe langer hoe mooier. Vanavond blijf ik thuis met een boek. Degelijk he? Dagboek, je bent wel wat anders gewend he. Zal het nog eens veranderen?
(Goldsmid, ingekort citaat)

 *mogelijk wordt hier bedoeld het Joodsche Weekblad, een uitgave van de Joodsche Raad, Het blad verscheen als enige toegestane Joodse uitgave van april 1941 tot en met september 1943. Het stond onder Duitse censuur en bevatte de officiële mededelingen (vooral geboden en verboden) van de bezetter aan de Joden.

[13 november1941]

Lang niet meer geschreven he. Er gebeurt ook niet bijzonders. Elke dag is eender. Werken-eten-slapen. Bah. Om gek te worden. Eten is ook niets meer aan: theesurrogaat, koffiesurrogaat, cacaosurrogaat. Repen zijn niet meer te krijgen. Een heleboel kinderen lopen op klompen. Het wordt nu bijna echt “Holland op klompen”. Ik hoop dat mijn schoenen het nog maar even uitzingen. Ik hoop dat ik dit later nog eens bij een echt kopje koffie met slagroom of thee met melkchocolade zal overlezen….Ik kan elke dag wel brullen van verveling en verkniezing. Nu ga ik maar weer eens naar bed. Morgen weer werken enz. enz. De fuif bij Ans is over 4 dagen. Ik weet niet of ik gevraagd word. Wat een kladder allemaal, he, dat komt door mijn vulpen. Die lekt.
(Goldsmid, ingekort citaat)

[31 mei 1942]

Gisteren ben ik met Bep v.G. en Bep M. de stad in geweest en we hebben bij Bep thuis gezellig zitten praten. Bep v. G’s vader moet naar het kamp*. Wat rot he? Zo is er iedere keer wat anders. Ik ga vanmiddag met Max naar Dieren voor een fuif. Om 2 uur gaan we al weg. ’t Zal mij benieuwen hoe of dat wordt. Lijkt me wel knal, he? Nu, morgen meer hoor.
(Goldsmid, ingekort citaat)

 

*joodse mannen werden in 1942 gedwongen naar werkkampen in Nederland te gaan

 

[7 juni 1942]

Alweer een week later….met Max naar Dieren naar die fuif geweest. Het regende dat het goot, maar we hebben het toch reuze leuk gehad. Er was ook een hele knappe jongen….en ik heb veel met hem gedanst. Maar wij konden niets afspreken, want hij woont in Deventer en mogen wij helemaal niet reizen. We lopen al 4 weken met een ster als jood, een oranje ster*. We zijn er al helemaal aan gewend….vanavond zijn Bep v. G. en ik wezen fietsen naar Velp en vanavond gaan we naar restaurant Glazer**. Dat is weer wat nieuws: een joods café. Het zal mij benieuwen. Zal ik daar ook weer eens wat beleven. Vandaag kregen alle jongens bericht dat ze gekeurd voor het kamp*** moeten worden. Dan moeten ze allemaal weg. Kan leuk worden he? Was die oorlog maar vast afgelopen he; er komt geen eind aan en het wordt steeds beroerder. We mogen niets meer. Niet meer in parken komen, niet in bioscopen, café’s, schouwburgen enz. Niet zwemmen, niet reizen. En toch amuseren we ons wel. Nu dagboek, tot de volgende keer.
(Goldsmid, ingekort citaat)

 

*Vanaf 3 mei 1942 zijn joden verplicht een gele ster te dragen. Op de Kippenmarkt 1 liggen ze op 1 mei klaar, vier sterren per persoon, kosten vier cent per stuk en een textielpunt.

**mogelijk wordt hier bedoeld: hotel-restaurant Glazer Nieuwe Plein 34

***joodse mannen werden in 1942 gedwongen naar werkkampen in Nederland te gaan

 

[21 juni 1942]

Vandaag zijn we dus naar Dieren geweest. We zijn met de trein geweest. Dat mocht tot Dieren anders mogen we niet meer reizen…
(Goldsmid, ingekort citaat) |

[23 juni 1942]


We zijn met zijn viertjes, Bep 1 , Bep 2, Bep 3 en ik naar Glazer geweest. Was wel gezellig. We moeten ook de fietsen inleveren en kunnen dus niet meer fietsen. …(Goldsmid, ingekort citaat)


(Arnhem, 13 september 1942: Ada, in het midden met hond, met de Beppies, allen met gele ster, foto Anja Hartog)

 

[11 augustus 1942]

Wat een tijd niet meer geschreven he? Het is ook zo’n spannende tijd, dat je niet weet wat of je moet schrijven. In Amsterdam is het verschrikkelijk geweest. Alle joden tot 40 of ouder moesten naar Polen. Het komt hier eerdaags ook. En wat dan? Wat een toestand he. We gaan nog elke zondag naar Glazer en het is daar nog wel gezellig. Ik ben geblondeerd. Staat me wel.
(Goldsmid, ingekort citaat)

 

[14 september 1942]


Een maand niet geschreven. Er is in een maand geweldig veel gebeurd. S, R, S en N en het kind zijn naar Polen. Erg he. Zal ik ze nog eens weerzien. Hier zijn een heleboel mannen naar de kampen*, M en J ook. I. is naar Polen voor straf….ik ben weer zwart geverfd; blauw gewoon. Staat me mieters en houd ik het altijd zo. In Amsterdam is het nog steeds verschrikkelijk. Ik hoop maar dat het hier rustig blijft. Nu, verder geen nieuws en zal ik na afloop wel meer schrijven. Denk eens aan: elke avond om 8 uur thuis, geen bioscoop, geen Heck, geen dansen, nergens; op de bank mag je zitten, niet fietsen, trammen, reizen. Je kunt alleen nog wat lopen, eten, slapen. Wat een leven he. Hoelang nog? Als het al niet te laat is. (Goldsmid, ingekort citaat)


*joodse mannen werden in 1942 gedwongen naar werkkampen in Nederland te gaan

[25 oktober 1942]

Alweer een tijd niet geschreven. Er is in die tijd niets als narigheid gebeurd. Voor zeven weken was ik in Utrecht met reisvergunning en toen was er net een razzia. Hier ook. Heel veel bekenden zijn toen weg gehaald. En vorige week dinsdag is het weer geweest. Ze zijn ook bij ons geweest, maar mijn moeder was ziek en zijn we nog hier. Voor hoelang nog? Alles is bijna weg. Van de hele club zijn alleen Bep C. en ik over. Bep M. ligt in het ziekenhuis en weet niet waar haar moeder is. Ze heeft een open been. Wat een toestanden he. Dagboek jij bent een tijd uit huis geweest, dat ik dacht ook weg te moeten. Waar zal jij nog eens terecht komen. En ikzelf. Wat een tijd.
(Goldsmid, ingekort citaat)

 

Overleven in de onderduik

Met deze zinnen beëindigt Ada haar dagboek op 25 oktober 1942. Op de laatste bladzijde schrijft ze nog enkele passages op van het lied van Zarah Leander: “Sag mir nicht adieu”.

In november en december 1942 zijn de grote razzia’s in Arnhem. Als ook haar pleegouders worden weggehaald, weet Ada via de achtertuinen te ontvluchten. Zij duikt onder in de Lomanstraat in Amsterdam bij Hilde Romein, een verwante van de familie. Tante Hilde wordt ze genoemd. Anja Hartog, dochter van Ada, herinnert zich:

 

“Ik heb daar vroeger veel gelogeerd, bij tante Hilde. Zij heeft me het luik laten zien, waaronder mijn moeder zich verstopte als er een razzia was. Dat was gewoon in haar slaapkamer beneden, met een kleedje erover heen. Verder ging ze gewoon de stad in met geblondeerd haar en een vals persoonsbewijs. De zoon van tante Hilde woonde boven. Daar kwam ik als kind ook graag. Lieve man!”

Ada overleeft de oorlog op haar onderduikadres in Amsterdam. Haar pleegouders Michel Kruijer en Jenny Fröhlig worden in april 1943 in Sobibor vermoord. Nicht Siny Franken, haar ouders en broer zullen de oorlog overleven, eerst in de onderduik in Arnhem en later in kamp Westerbork, toen er - dankzij de Spoorwegstaking van 
1944 - geen treinen meer naar de vernietigingskampen reden. Ze mogen kamp Westerbork pas verlaten als ze een vast woonadres hebben. Ada woont intussen op de Plantage Kerklaan en neemt hen in juni 1945 in huis op. De steile trappen worden echter te bezwaarlijk voor de moeder Franken. De familie Franken verhuist naar Arnhem en gaan wonen op de Da Costastraat 2.


Een nieuw leven

Na de oorlog bouwt Ada een nieuw leven op. Ze trouwt in augustus 1945 met Christiaan Frederik Wouda (Willy), orthopedisch schoenmaker van beroep. Zij gaan wonen op de Plantage Kerklaan 4 in Amsterdam en krijgen een dochter. Op 4 november 1952 overlijdt Christiaan Wouda. Hun dochter is dan zes jaar. Een grote slag voor het gezin.

Drie jaar later in september 1955 hertrouwt Ada met Wim Zondervan, kleermaker van beroep. Uit het huwelijk wordt een dochter en een zoon geboren: Anja (1955) en Robert (1960). 'Ada haalde na de oorlog zoveel mogelijk uit het leven', vertelt dochter Anja. 'Zij maakte plezier, ging  geregeld de stad in, naar de markt, naar het strand in Zandvoort of naar de film. Ze deelde haar oorlogsverhalen met haar onderbuurvrouw op de Plantage Kerklaan'. Ook de drie kinderen krijgen die verhalen mee. Zij bouwen een eigen leven op en krijgen op hun beurt kinderen. Wim Zondervan overlijdt in 1990. Ada is dan al jaren geleden overleden op 13 april 1966. Ze heeft haar drie kleinzonen en haar drie achterkleinkinderen niet meer mogen meemaken.

Peter Jetten
met dank aan Anja Hartog en Ella Vuulink


Verwijzing

Op het digitale buurtmonument Sint Marten Sonsbeek te Arnhem is een verwijzing opgenomen naar dit artikel onder de titel Staringstraat 12, Oorlogsdagboek. Klik hier


Michel Kruijer en Jenny Kruijer -Fröhlig zijn opgenomen in het 
namenregister van deze site. 


Bronnen

Ada Goldsmid, Tweede dagboek 29-3-1940 tot en met 25 -10-1942, Arnhem 1942, (ongepubliceerde uitgave in eigen beheer)

Correspondentie Peter Jetten met Anja Hartog oktober/november 2021

Ella Vuulink-Hopaf, Siny haar leven, Arnhem 2016 (ongepubliceerde uitgave in eigen beheer)

Interview Peter Jetten met Ella Vuulink-Hopaf op 31 augustus 2021 en opvolgende correspondentie


joodsmonument.nl

 

Wikipedia

 

Delpher.nl > Arnhemse Courant 

 

Locatie Joods Monument Arnhem:
Kippenmarkt/Jonas Daniël Meijerplaats