menu  

Joods Monument Arnhem
Joods Monument Arnhem

De familie Mouw van de Heijenoordseweg

De Amsterdammer Bernard Mouw trouwde met het protestantse meisje Alie Hendriks uit Oosterbeek. Ze vestigden zich in Arnhem en kregen daar een zoontje Freddie. Met z’n drieën zouden ze op een heel bijzondere wijze door de oorlog komen. Hieronder hun lotgevallen.

Naar Arnhem
Bernard Mouw (1906), roepnaam Ben, was een echte Joodse Amsterdammer. Ben groeide op met zijn veel oudere halfbroer Jacob en zijn iets jongere broer Benjamin (Benny). Hun voorouders woonden al vanaf de 18e eeuw in Amsterdam. Ze verdienden de kost als sjouwerman. Vader Mouw ontsnapte aan dat zware leven en werd koopman, zoals aanvankelijk ook zoon Ben. Door de crisis in de dertiger jaren werd het voor Ben lastiger om in Amsterdam aan de kost te komen. Hij besloot zijn geluk in Arnhem te beproeven en niet zonder succes. Zakelijk ging het goed en misschien nog belangrijker, hij ontmoette Alie Hendriks (1916), die bij modehuis Hendriks in de Vijzelstraat werkte. Alie was lidmaat van de behoudende tak van de Nederlands Hervormde Kerk. In beide kerkgenootschappen werd je geacht binnen je eigen geloofsgemeenschap te trouwen, maar de liefde won het van wat er van het stel werd verwacht.


Huwelijk en gezin
Het is 1937. Alie en Ben trouwen en betrekken een woning aan Rijnkade 14 in Arnhem. Ben verdient de kost als chef in de winkel van Huf’s schoenenmagazijn aan Roggestraat 12. In diezelfde tijd wordt Nathan Gimpel, een in 1933 uit Duitsland gevluchte Jood, directeur (noot 1).


(Roggestraat 1969 met vooraan rechts schoenenwinkel Huf, foto Gelders Archief)

In 1938 verhuist het gezin naar Heijenoordseweg 64. Ze kijken uit over het spoor en in de verte op de Koepelgevangenis. Het mooie landgoed Mariëndaal ligt op vijf minuten lopen van hun huis. In hetzelfde jaar krijgen ze een zoontje, Siegfied Willem. Ze noemen hem Freddie. Hij groeit op in een bijzonder gezin: zijn vader is orthodox Joods, zijn moeder streng protestants. Freddie zelf zal geen geloofsrichting meekrijgen. Eind 1939 wordt er weer een kindje geboren, levenloos tot hun grote verdriet. Extra triest, omdat Alie en Ben later door de maatregelen van de bezetter geen kinderen meer kunnen krijgen.

(Het gezin Mouw met Alie Mouw-Hendriks, Freddy en Ben Mouw, uiterst links de enige broer van Alie, zomer 1943 of 1944 in de Badhuisstraat te Oosterbeek, foto collectie Fred Mouw)

De oorlog
De oorlog brengt Ben Mouw en zijn gezin in grote moeilijkheden. Op het werk van Ben krijgt de Joodse directeur Nathan Gimpel in de eerste helft van 1942 te maken met allerlei reis- en vervoerverboden voor Joden. Hierdoor kan Nathan Gimpel zijn werk als directeur niet meer goed uitvoeren. Het is aannemelijk dat dit voor hem het einde als directeur van de winkelketen betekende. Bij de tweede grote razzia op 10 december 1942 zou hij worden opgepakt en afgevoerd naar Westerbork. Ben volgt hem op en wordt de nieuwe directeur, want voor hem gelden de reisbelemmeringen niet. Hij heeft vanwege zijn huwelijk met een niet-joodse vrouw een Sperre (speciale vergunning), waardoor hij vrijgesteld is van deportatie. Een voorwaarde voor het verkrijgen van de Sperre is dat één van beide echtgenoten zich moet laten steriliseren (noot 2). Iedere maand moet Ben zich bij de bezetter aan de Velperweg in villa “De Vijf Zuylen” (huidige naam) melden om een nieuwe Sperre te halen. De villa in Velp is door de bezetter in beslag genomen. De meedogenloze Hanns Albin Rauter, de hoogste Duitse politiebaas in Nederland, woont er met zijn gezin.


De vergunning geeft Ben toestemming om als Jood vrij rond te lopen. Ben voelt zich afschuwelijk, hij is vrij maar heeft ook die vreselijke vergunning nodig. Bijna alle Joden in Arnhem zijn al opgepakt of ondergedoken en hij loopt – met de Jodenster op - nog gewoon over straat.


(De villa “De Vijf Zuylen” aan de Velperweg in 2021, foto internet)

Vanwege zijn nieuwe functie gaat Ben per fiets alle filialen in en rondom Arnhem af, misschien wel op de fiets van zijn vrouw omdat herenfietsen intussen door de maatregelen van de bezetter in beslag zijn genomen.


(Heijenoordseweg 64 in 2022, waar de familie Mouw woonde, foto Jans Askes)

 

De Slag om Arnhem
Op 17 september 1944 begint met de Operatie Market Garden de Slag om Arnhem die acht dagen zou duren. De Engelsen trekken vanuit Oosterbeek langs de zuidkant van het spoor naar het centrum van Arnhem. Het gezin Mouw zit dagenlang opgesloten in de kelder. Op een zeker moment raken de Engelsen in gevecht met een Duitse tank in hun voortuin. Het huis schudt bij elk schot op zijn grondvesten. De familie staat doodsangsten uit. Het huis stort uiteindelijk boven hun hoofd in. Als op 26 september de slag ten einde is moet op bevel van de Duitsers de gehele stad worden geëvacueerd. Oma Hendriks uit Oosterbeek zit in het verzet en regelt een onderduikadres.

(De Heijenoordseweg 1945 met vaag links achteraan het compleet vernielde woonblok waar de familie Mouw woonde; dit moest in 1948 herbouwd worden, foto Nico Kramer Gelders Archief)

 

Evacuatie
Ben Mouw tornt de Jodenster van zijn jas, zijn werkvergunning biedt hem geen bescherming meer. De familie pakt de koffers en gaat op weg naar Apeldoorn. Het is een enorme chaos: vele tienduizenden mensen, die elkaar op de weg verdringen met fietsen en bakfietsen, met alles eigenlijk. De angst is groot. Af en toe vliegen Engelse en Amerikaanse jagers over. De piloten zien de evacuées aan voor Duitse troepen en schieten. Men zoekt bescherming in greppels, maar desondanks vallen er doden en gewonden.

Het gezin Mouw loopt langs de Woeste Hoeve naar Beekbergen. Daar worden ze opgevangen in een boerderij, waar ze onderduiken. Er komen nog twee oudere Joodse stellen bij. Midden in de nacht halen Apeldoornse verzetslieden de zeven onderduikers op. Wegduikend voor patrouilles, door pikdonkere bossen, via tuinen in het verduisterde en doodstille Apeldoorn komen ze bij een statig herenhuis van een gedeporteerd Joods gezin aan de Anna Paulownalaan. Daar duiken ze weer onder. Het verzet brengt eten, drinken en dekens. De gordijnen moeten dicht blijven. Er mag niet worden gestookt en er mag geen geluid worden gemaakt. Soms maken ze ruzie. Freddie verveelt zich stierlijk en mag in de tuin spelen.

Vermoedelijk hebben buren dat gezien en hen verraden. Op 1 december 1944 worden ze opgehaald door de Grüne Polizei. Als voddenbalen worden ze op een vrachtauto gesmeten en naar de gevangenis in Zwolle gebracht. Daar wordt de 6-jarige Freddie alleen in een cel opgesloten, dagelijks geslagen en verhoord. Zijn ouders worden zwaar mishandeld. De twee andere stellen hebben ze nooit meer teruggezien. Freddie en zijn niet-joodse moeder worden uiteindelijk de gevangenis uitgezet. Buiten de poort treffen ze elkaar. Een cipier frommelt Alie Mouw een briefje in de hand “Lieveling, ik ga naar Westerbork. Hou je goed, veel liefs. Kussen voor ’t kind. Ben"

(briefje van Ben Mouw aan zijn vrouw, december 1944, formaat 9 x 5, collectie Fred Mouw)

De twee lopen terug naar de villa in Apeldoorn. Ze leven een korte tijd op distributiebonnen van de buren. Het verzet kan verder niets voor hen betekenen. Alie vindt de situatie uitzichtloos en wordt steeds radelozer. Ze besluit om zich bij haar man te voegen, met het gevaar dat ze ook op transport wordt gesteld. Ze gaat naar de Sicherheitsdienst in Apeldoorn en vraagt of zij met kleine Freddie zich bij naar haar man in Westerbork mogen voegen. Dat mag en zo komen moeder en kind rond Kerstmis in kamp Westerbork terecht.

Kamp Westerbork
Bij aankomst in het kamp worden ze - heel vernederend - gevisiteerd. Spullen als sieraden en armbanden moeten worden afgegeven. Hun spaarbankboekjes zouden ze nooit meer terugzien. Ze komen in een grote familiebarak terecht, waar ook vader Mouw zit. Ze zijn intens blij elkaar weer te zien.

In Kamp Westerbork kunnen 10 tot 15 duizend mensen gevangen gehouden worden. Op dat moment zijn het er nog zo’n negenhonderd. De leefomstandigheden zijn daarom relatief goed. Gezinnen mogen bij elkaar blijven en er is voldoende te eten. De gevangenen werken voor de Duitsers. In het kamp wordt gewerkt in de keuken, de schoenmakerij, de kleermakerij of in de houtzagerij en buiten het kamp op een boerderij. Andere gevangenen moeten bomen rooien of verdedigingswerken aanleggen. Er is een ziekenhuis, een school en er zijn winkels.

Nog een Arnhemse familie
Er is gelukkig ook nog een andere Arnhemse familie: Hans en Margot Weyl met hun dochtertje Eva. Hans en Margot zijn in 1934 uit Kleef gevlucht, waar de familie van Hans een hele grote kledingzaak had. In Arnhem gingen ze door met deze handel. In 1935 werd Eva geboren.
Hans Weyl en Ben Mouw kennen elkaar goed, ze waren beiden in zaken, de een in kleding en de ander in schoenen. Bovendien zagen ze elkaar regelmatig in de sjoel in de Pastoorstraat in Arnhem. Al in januari 1942 moesten alle Duitse vluchtelingen zich melden in Westerbork en zo ook de familie Weyl. Daar waren ze met hun Duitse achtergrond goed bruikbaar voor de Duitse bezetter en konden daarom steeds blijven.

Tot september 1944 gaat het goed, maar daarna zullen ook zij onherroepelijk aan de beurt komen om met de overgebleven gevangenen te worden gedeporteerd. Met grote angst wachten ze dat moment af.

Freddie gaat naar de kampschool, die twee klasjes telt. Er zijn nog dertig kinderen in het kamp onder de 15 jaar. Er wordt gevoetbald, getold en andere spelletjes gedaan. Alie Mouw werkt in de keuken, Ben haalt in een industriebarak batterijen en onderdelen van vliegtuigen elkaar, bestemd voor de Duitse oorlogsindustrie. ‘s Avonds eten ze samen het eten uit de gaarkeuken. Het is een soort werkkamp geworden, waar het betrekkelijk goed uit te houden is.

(Kinderspeelplaats kamp Westerbork, foto collectie herinneringscentrum kamp Westerbork)

Echter, elke dag wordt er gepraat over de trein naar Polen, voelt men de dreiging dat die nog komt. De resterende gevangenen kunnen gemakkelijk in één keer worden afgevoerd. Dat de trein na 13 september niet meer zou komen, wist niemand. Men kon nu eenmaal niet weten dat door het oprukkende Rode Leger de transporten naar de vernietigingskampen niet meer mogelijk waren en dat Auschwitz eind januari zou worden bevrijd.

Bevrijding Westerbork
In april 1945 zijn de Duitsers de oorlog in Nederland aan het verliezen. De Canadese bevrijders komen steeds dichterbij. Op 10 april bulderen de kanonnen in de verte. De Duitsers worden bang en nerveus, demonteren mitrailleurs, verlaten de wachttorens en gaan inpakken. Iedereen is bang voor wat er gaat gebeuren. Zullen de Duitsers hen meenemen of worden ze doodgeschoten?

Op 11 april gaan de Duitsers ervandoor, met achterlating van de gevangenen in het kamp. Het kanongebulder komt steeds dichterbij. Op 12 april worden granaten afgeschoten. Twee gevangenen lopen met witte vlaggen de hei op om de Canadezen te laten weten dat het kamp een gevangenenkamp is en geen militair kamp. De Canadezen met hun tanks worden met groot gejuich ontvangen. De soldaten delen chocola en sigaretten uit. De gevangenen verkeren in extase. Het is voorbij, eindelijk zijn ze bevrijd. Echter, ze mogen het kamp nog niet uit. Het westen van Nederland is nog niet bevrijd en verder naar het noorden wordt nog gevochten.

(De Canadezen bevrijden kamp Westerbork, tekening van de Joodse gevangene Hans Margules, collectie herinneringscentrum Kamp Westerbork)

Na de ‘bevrijding’ van kamp Westerbork
De gevangenen worden in eerste instantie als verdacht beschouwd. De redenering van de Canadezen en het Militair Gezag is: “Hier zitten nog mensen die niet naar Auschwitz en Sobibor zijn afgevoerd. Hoe kan dat? Zijn dit handlangers van de Duitsers?’’ Het is een bittere pil voor de gevangenen.
Maar er speelt nog meer. In het kamp zitten ook nog Joden uit Duitsland en Oostenrijk, die hier soms al sinds het begin van de oorlog zijn. Toen de nazi’s het kamp in 1942 overnamen, namen ze de bestaande organisatie van het vluchtelingenkamp over. Mede om deze organisatie intact te houden, besloten de Duitsers dat de Duitse Joden die voor de zomer van 1942 als vluchtelingen in Westerbork zaten, voorlopig werden vrijgesteld van transport. Het gevolg was dat er relatief minder Duitse dan Nederlandse Joden zijn weggevoerd en met name de mensen die een belangrijke rol hadden in de kamporganisatie. Dat gaf nogal scheve gezichten bij de Nederlandse gevangenen.

Terwijl de gevangenen wachten op het moment dat ze kamp Westerbork definitief kunnen verlaten wordt na anderhalve week het kamp in tweeën gesplitst. Duizenden nieuwe mensen komen moe, hongerig en haveloos het kamp binnenstrompelen. Het zijn gevangen genomen NSB-ers en landverraders. Bij gebrek aan bewakers worden de Joodse gevangenen belast met de bewaking, een omgekeerde wereld. Later zullen ze worden bijgestaan door de Binnenlandse Strijdkrachten. Wraak blijft dan ook niet uit. NSB’ers worden slachtoffer van mishandeling, verkrachting en doodslag. Tot eind september zullen 89 gevangenen onder verdachte omstandigheden overlijden.

Ook Ben Mouw krijgt een knuppel in de handen gedrukt en moet de nieuwe gevangenen bewaken. Zijn zoon Fred zou later zeggen: ,,Ja, er hebben zich excessen voorgedaan. Vind je het vreemd? De Joodse gevangenen zagen aan de andere kant van het prikkeldraad hun verraders lopen. Natuurlijk zijn er kortsluitingen geweest. Dat geldt niet voor mijn vader, daar was hij het type niet voor.’’

De situatie in het interneringskamp verbetert in de nazomer van 1945. De laatste Joden verlaten eind augustus het kamp.

(Kamp Westerbork voor de barak waar de families Weyl en Dresden woonden. Voorste rij v.l.n.r. moeder Henny Dresden, de dochters Hans en Juliette Dresden, Freddie Mouw, Eva Weyl, foto herinneringscentrum kamp Westerbork)

Ben Mouw ontvangt in mei bericht van het Rode Kruis dat al zijn naaste familieleden zijn vermoord: zijn moeder in Auschwitz, zijn halfbroer Jacob en diens vrouw Elisabeth in Sobibor, hun 15 jarige dochter Selma in Auschwitz. Ook zijn jongste broer Benjamin (Benny), getrouwd met een niet-joodse vrouw van Duitse komaf, zou zijn vermoord. Gelukkig blijkt weldra dat Benny toch nog leeft. De beide broers komen met elkaar in contact en Benny regelt een reisvergunning, waardoor het gezin Mouw het kamp mag verlaten. 

Na het kamp
Het gezin kan niet terug naar Arnhem. Ben Mouw had wellicht zijn oude beroep bij Huf weer kunnen oppakken, maar de kapotgeschoten stad zal tot augustus verboden terrein zijn voor de geëvacueerde bewoners. Bovendien is hun woning aan de Heijenoordseweg compleet vernield. Het gezin vertrekt definitief naar Amsterdam. Ben krijgt er een goede baan bij een Joodse kledingzaak. Freddie wordt Fred, haalt zijn HBS-diploma en wordt na zijn accountantsstudie gespecialiseerd jurist in het fiscale-en vennootschaps-en ondernemingsrecht. 

De Tweede Wereldoorlog heeft op het gezin Mouw een blijvende invloed gehad. Zoon Fred Mouw zegt daarover:
 


“Als ik nu naar mijn eigen kleinkinderen kijk, die hebben gewoon een opa en oma. Er is zich een normale familieband aan het vormen. Mijn ouders hebben dat niet gehad. Ik ben enig kind gebleven omdat mijn moeder vanwege één van de nazi-wetten gesteriliseerd moest worden. Mijn ouders zijn dus afgesneden van een grotere familie, van een andere toekomst. Dat – tezamen met de dood van vrijwel de hele familie van mijn vader, het leven onder de constante druk van deportatie in Westerbork, de Slag om Arnhem, van alles wat ze hebben meegemaakt – heeft een litteken bij mijn ouders achtergelaten. En gedeeltelijk ook bij mij.”


Na zijn pensionering zet Fred zich in voor het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Hij wordt bestuurslid, geeft rondleidingen en wordt gastdocent. Ook is hij lid van de Raad van Toezicht en van de Raad van Advies. Fred zegt daarover:

"Ik ben er nu kind aan huis. Mijn vader zou het fantastisch gevonden hebben".

Hans en Margot Weyl en hun dochter Eva komen in 1948 terug in Arnhem, waar zij hun textielzaak heropenen. Dochter Eva geeft voorlichting op Nederlandse en Duitse scholen. In Duitsland doet ze dat samen met de kleindochter van Albert Conrad Gemmeker, de gewezen kampcommandant van Westerbork.

Ook op een andere manier is Eva actief: op 26 januari 2020, hield zij een toespraak bij de Auschwitz-Herdenking in het Wertheimpark in Amsterdam.

Jans Askes, mei 2022

Noten

1) Voor hun lotgevallen zie het verhaal op deze site ‘De familie Gimpel van de Hoogkamp” https://joodsmonumentarnhem.nl/p/p/f.php?flexpag_id=193&rubriek_id=12

2) Sterilisatie van gemengd-gehuwden is in Duitsland wel overwogen, maar alleen in Nederland – tijdelijk – daadwerkelijk toegepast, uit: Teruggefloten door Hitler, Max Arian in de Groene Amsterdammer 2007, nummer 18 https://www.groene.nl/artikel/teruggefloten-door-hitler

Bronnen

https://bevrijdingsportretten.nl/portret/de-familie-mouw/ https://bevrijdingsportretten.nl/portret/dresden-weyl/

Artikelen Omroep Gelderland en het Dagblad van het Noorden

Vraaggesprekken en correspondentie met Fred Mouw, maart-mei 2022

Adresboeken Arnhem, Gelders Archief

www.wiewaswie.nl

Verhalen

De familie Mouw van de Heijenoordseweg

De Amsterdammer Bernard Mouw trouwde met het protestantse meisje Alie Hendriks uit Oosterbeek. Ze vestigden zich in Arnhem en kregen daar een zoontje Freddie. Met z’n drieën zouden ze op een heel bijzondere wijze door de oorlog komen. Hieronder hun lotgevallen.

Naar Arnhem
Bernard Mouw (1906), roepnaam Ben, was een echte Joodse Amsterdammer. Ben groeide op met zijn veel oudere halfbroer Jacob en zijn iets jongere broer Benjamin (Benny). Hun voorouders woonden al vanaf de 18e eeuw in Amsterdam. Ze verdienden de kost als sjouwerman. Vader Mouw ontsnapte aan dat zware leven en werd koopman, zoals aanvankelijk ook zoon Ben. Door de crisis in de dertiger jaren werd het voor Ben lastiger om in Amsterdam aan de kost te komen. Hij besloot zijn geluk in Arnhem te beproeven en niet zonder succes. Zakelijk ging het goed en misschien nog belangrijker, hij ontmoette Alie Hendriks (1916), die bij modehuis Hendriks in de Vijzelstraat werkte. Alie was lidmaat van de behoudende tak van de Nederlands Hervormde Kerk. In beide kerkgenootschappen werd je geacht binnen je eigen geloofsgemeenschap te trouwen, maar de liefde won het van wat er van het stel werd verwacht.


Huwelijk en gezin
Het is 1937. Alie en Ben trouwen en betrekken een woning aan Rijnkade 14 in Arnhem. Ben verdient de kost als chef in de winkel van Huf’s schoenenmagazijn aan Roggestraat 12. In diezelfde tijd wordt Nathan Gimpel, een in 1933 uit Duitsland gevluchte Jood, directeur (noot 1).


(Roggestraat 1969 met vooraan rechts schoenenwinkel Huf, foto Gelders Archief)

In 1938 verhuist het gezin naar Heijenoordseweg 64. Ze kijken uit over het spoor en in de verte op de Koepelgevangenis. Het mooie landgoed Mariëndaal ligt op vijf minuten lopen van hun huis. In hetzelfde jaar krijgen ze een zoontje, Siegfied Willem. Ze noemen hem Freddie. Hij groeit op in een bijzonder gezin: zijn vader is orthodox Joods, zijn moeder streng protestants. Freddie zelf zal geen geloofsrichting meekrijgen. Eind 1939 wordt er weer een kindje geboren, levenloos tot hun grote verdriet. Extra triest, omdat Alie en Ben later door de maatregelen van de bezetter geen kinderen meer kunnen krijgen.

(Het gezin Mouw met Alie Mouw-Hendriks, Freddy en Ben Mouw, uiterst links de enige broer van Alie, zomer 1943 of 1944 in de Badhuisstraat te Oosterbeek, foto collectie Fred Mouw)

De oorlog
De oorlog brengt Ben Mouw en zijn gezin in grote moeilijkheden. Op het werk van Ben krijgt de Joodse directeur Nathan Gimpel in de eerste helft van 1942 te maken met allerlei reis- en vervoerverboden voor Joden. Hierdoor kan Nathan Gimpel zijn werk als directeur niet meer goed uitvoeren. Het is aannemelijk dat dit voor hem het einde als directeur van de winkelketen betekende. Bij de tweede grote razzia op 10 december 1942 zou hij worden opgepakt en afgevoerd naar Westerbork. Ben volgt hem op en wordt de nieuwe directeur, want voor hem gelden de reisbelemmeringen niet. Hij heeft vanwege zijn huwelijk met een niet-joodse vrouw een Sperre (speciale vergunning), waardoor hij vrijgesteld is van deportatie. Een voorwaarde voor het verkrijgen van de Sperre is dat één van beide echtgenoten zich moet laten steriliseren (noot 2). Iedere maand moet Ben zich bij de bezetter aan de Velperweg in villa “De Vijf Zuylen” (huidige naam) melden om een nieuwe Sperre te halen. De villa in Velp is door de bezetter in beslag genomen. De meedogenloze Hanns Albin Rauter, de hoogste Duitse politiebaas in Nederland, woont er met zijn gezin.


De vergunning geeft Ben toestemming om als Jood vrij rond te lopen. Ben voelt zich afschuwelijk, hij is vrij maar heeft ook die vreselijke vergunning nodig. Bijna alle Joden in Arnhem zijn al opgepakt of ondergedoken en hij loopt – met de Jodenster op - nog gewoon over straat.


(De villa “De Vijf Zuylen” aan de Velperweg in 2021, foto internet)

Vanwege zijn nieuwe functie gaat Ben per fiets alle filialen in en rondom Arnhem af, misschien wel op de fiets van zijn vrouw omdat herenfietsen intussen door de maatregelen van de bezetter in beslag zijn genomen.


(Heijenoordseweg 64 in 2022, waar de familie Mouw woonde, foto Jans Askes)

 

De Slag om Arnhem
Op 17 september 1944 begint met de Operatie Market Garden de Slag om Arnhem die acht dagen zou duren. De Engelsen trekken vanuit Oosterbeek langs de zuidkant van het spoor naar het centrum van Arnhem. Het gezin Mouw zit dagenlang opgesloten in de kelder. Op een zeker moment raken de Engelsen in gevecht met een Duitse tank in hun voortuin. Het huis schudt bij elk schot op zijn grondvesten. De familie staat doodsangsten uit. Het huis stort uiteindelijk boven hun hoofd in. Als op 26 september de slag ten einde is moet op bevel van de Duitsers de gehele stad worden geëvacueerd. Oma Hendriks uit Oosterbeek zit in het verzet en regelt een onderduikadres.

(De Heijenoordseweg 1945 met vaag links achteraan het compleet vernielde woonblok waar de familie Mouw woonde; dit moest in 1948 herbouwd worden, foto Nico Kramer Gelders Archief)

 

Evacuatie
Ben Mouw tornt de Jodenster van zijn jas, zijn werkvergunning biedt hem geen bescherming meer. De familie pakt de koffers en gaat op weg naar Apeldoorn. Het is een enorme chaos: vele tienduizenden mensen, die elkaar op de weg verdringen met fietsen en bakfietsen, met alles eigenlijk. De angst is groot. Af en toe vliegen Engelse en Amerikaanse jagers over. De piloten zien de evacuées aan voor Duitse troepen en schieten. Men zoekt bescherming in greppels, maar desondanks vallen er doden en gewonden.

Het gezin Mouw loopt langs de Woeste Hoeve naar Beekbergen. Daar worden ze opgevangen in een boerderij, waar ze onderduiken. Er komen nog twee oudere Joodse stellen bij. Midden in de nacht halen Apeldoornse verzetslieden de zeven onderduikers op. Wegduikend voor patrouilles, door pikdonkere bossen, via tuinen in het verduisterde en doodstille Apeldoorn komen ze bij een statig herenhuis van een gedeporteerd Joods gezin aan de Anna Paulownalaan. Daar duiken ze weer onder. Het verzet brengt eten, drinken en dekens. De gordijnen moeten dicht blijven. Er mag niet worden gestookt en er mag geen geluid worden gemaakt. Soms maken ze ruzie. Freddie verveelt zich stierlijk en mag in de tuin spelen.

Vermoedelijk hebben buren dat gezien en hen verraden. Op 1 december 1944 worden ze opgehaald door de Grüne Polizei. Als voddenbalen worden ze op een vrachtauto gesmeten en naar de gevangenis in Zwolle gebracht. Daar wordt de 6-jarige Freddie alleen in een cel opgesloten, dagelijks geslagen en verhoord. Zijn ouders worden zwaar mishandeld. De twee andere stellen hebben ze nooit meer teruggezien. Freddie en zijn niet-joodse moeder worden uiteindelijk de gevangenis uitgezet. Buiten de poort treffen ze elkaar. Een cipier frommelt Alie Mouw een briefje in de hand “Lieveling, ik ga naar Westerbork. Hou je goed, veel liefs. Kussen voor ’t kind. Ben"

(briefje van Ben Mouw aan zijn vrouw, december 1944, formaat 9 x 5, collectie Fred Mouw)

De twee lopen terug naar de villa in Apeldoorn. Ze leven een korte tijd op distributiebonnen van de buren. Het verzet kan verder niets voor hen betekenen. Alie vindt de situatie uitzichtloos en wordt steeds radelozer. Ze besluit om zich bij haar man te voegen, met het gevaar dat ze ook op transport wordt gesteld. Ze gaat naar de Sicherheitsdienst in Apeldoorn en vraagt of zij met kleine Freddie zich bij naar haar man in Westerbork mogen voegen. Dat mag en zo komen moeder en kind rond Kerstmis in kamp Westerbork terecht.

Kamp Westerbork
Bij aankomst in het kamp worden ze - heel vernederend - gevisiteerd. Spullen als sieraden en armbanden moeten worden afgegeven. Hun spaarbankboekjes zouden ze nooit meer terugzien. Ze komen in een grote familiebarak terecht, waar ook vader Mouw zit. Ze zijn intens blij elkaar weer te zien.

In Kamp Westerbork kunnen 10 tot 15 duizend mensen gevangen gehouden worden. Op dat moment zijn het er nog zo’n negenhonderd. De leefomstandigheden zijn daarom relatief goed. Gezinnen mogen bij elkaar blijven en er is voldoende te eten. De gevangenen werken voor de Duitsers. In het kamp wordt gewerkt in de keuken, de schoenmakerij, de kleermakerij of in de houtzagerij en buiten het kamp op een boerderij. Andere gevangenen moeten bomen rooien of verdedigingswerken aanleggen. Er is een ziekenhuis, een school en er zijn winkels.

Nog een Arnhemse familie
Er is gelukkig ook nog een andere Arnhemse familie: Hans en Margot Weyl met hun dochtertje Eva. Hans en Margot zijn in 1934 uit Kleef gevlucht, waar de familie van Hans een hele grote kledingzaak had. In Arnhem gingen ze door met deze handel. In 1935 werd Eva geboren.
Hans Weyl en Ben Mouw kennen elkaar goed, ze waren beiden in zaken, de een in kleding en de ander in schoenen. Bovendien zagen ze elkaar regelmatig in de sjoel in de Pastoorstraat in Arnhem. Al in januari 1942 moesten alle Duitse vluchtelingen zich melden in Westerbork en zo ook de familie Weyl. Daar waren ze met hun Duitse achtergrond goed bruikbaar voor de Duitse bezetter en konden daarom steeds blijven.

Tot september 1944 gaat het goed, maar daarna zullen ook zij onherroepelijk aan de beurt komen om met de overgebleven gevangenen te worden gedeporteerd. Met grote angst wachten ze dat moment af.

Freddie gaat naar de kampschool, die twee klasjes telt. Er zijn nog dertig kinderen in het kamp onder de 15 jaar. Er wordt gevoetbald, getold en andere spelletjes gedaan. Alie Mouw werkt in de keuken, Ben haalt in een industriebarak batterijen en onderdelen van vliegtuigen elkaar, bestemd voor de Duitse oorlogsindustrie. ‘s Avonds eten ze samen het eten uit de gaarkeuken. Het is een soort werkkamp geworden, waar het betrekkelijk goed uit te houden is.

(Kinderspeelplaats kamp Westerbork, foto collectie herinneringscentrum kamp Westerbork)

Echter, elke dag wordt er gepraat over de trein naar Polen, voelt men de dreiging dat die nog komt. De resterende gevangenen kunnen gemakkelijk in één keer worden afgevoerd. Dat de trein na 13 september niet meer zou komen, wist niemand. Men kon nu eenmaal niet weten dat door het oprukkende Rode Leger de transporten naar de vernietigingskampen niet meer mogelijk waren en dat Auschwitz eind januari zou worden bevrijd.

Bevrijding Westerbork
In april 1945 zijn de Duitsers de oorlog in Nederland aan het verliezen. De Canadese bevrijders komen steeds dichterbij. Op 10 april bulderen de kanonnen in de verte. De Duitsers worden bang en nerveus, demonteren mitrailleurs, verlaten de wachttorens en gaan inpakken. Iedereen is bang voor wat er gaat gebeuren. Zullen de Duitsers hen meenemen of worden ze doodgeschoten?

Op 11 april gaan de Duitsers ervandoor, met achterlating van de gevangenen in het kamp. Het kanongebulder komt steeds dichterbij. Op 12 april worden granaten afgeschoten. Twee gevangenen lopen met witte vlaggen de hei op om de Canadezen te laten weten dat het kamp een gevangenenkamp is en geen militair kamp. De Canadezen met hun tanks worden met groot gejuich ontvangen. De soldaten delen chocola en sigaretten uit. De gevangenen verkeren in extase. Het is voorbij, eindelijk zijn ze bevrijd. Echter, ze mogen het kamp nog niet uit. Het westen van Nederland is nog niet bevrijd en verder naar het noorden wordt nog gevochten.

(De Canadezen bevrijden kamp Westerbork, tekening van de Joodse gevangene Hans Margules, collectie herinneringscentrum Kamp Westerbork)

Na de ‘bevrijding’ van kamp Westerbork
De gevangenen worden in eerste instantie als verdacht beschouwd. De redenering van de Canadezen en het Militair Gezag is: “Hier zitten nog mensen die niet naar Auschwitz en Sobibor zijn afgevoerd. Hoe kan dat? Zijn dit handlangers van de Duitsers?’’ Het is een bittere pil voor de gevangenen.
Maar er speelt nog meer. In het kamp zitten ook nog Joden uit Duitsland en Oostenrijk, die hier soms al sinds het begin van de oorlog zijn. Toen de nazi’s het kamp in 1942 overnamen, namen ze de bestaande organisatie van het vluchtelingenkamp over. Mede om deze organisatie intact te houden, besloten de Duitsers dat de Duitse Joden die voor de zomer van 1942 als vluchtelingen in Westerbork zaten, voorlopig werden vrijgesteld van transport. Het gevolg was dat er relatief minder Duitse dan Nederlandse Joden zijn weggevoerd en met name de mensen die een belangrijke rol hadden in de kamporganisatie. Dat gaf nogal scheve gezichten bij de Nederlandse gevangenen.

Terwijl de gevangenen wachten op het moment dat ze kamp Westerbork definitief kunnen verlaten wordt na anderhalve week het kamp in tweeën gesplitst. Duizenden nieuwe mensen komen moe, hongerig en haveloos het kamp binnenstrompelen. Het zijn gevangen genomen NSB-ers en landverraders. Bij gebrek aan bewakers worden de Joodse gevangenen belast met de bewaking, een omgekeerde wereld. Later zullen ze worden bijgestaan door de Binnenlandse Strijdkrachten. Wraak blijft dan ook niet uit. NSB’ers worden slachtoffer van mishandeling, verkrachting en doodslag. Tot eind september zullen 89 gevangenen onder verdachte omstandigheden overlijden.

Ook Ben Mouw krijgt een knuppel in de handen gedrukt en moet de nieuwe gevangenen bewaken. Zijn zoon Fred zou later zeggen: ,,Ja, er hebben zich excessen voorgedaan. Vind je het vreemd? De Joodse gevangenen zagen aan de andere kant van het prikkeldraad hun verraders lopen. Natuurlijk zijn er kortsluitingen geweest. Dat geldt niet voor mijn vader, daar was hij het type niet voor.’’

De situatie in het interneringskamp verbetert in de nazomer van 1945. De laatste Joden verlaten eind augustus het kamp.

(Kamp Westerbork voor de barak waar de families Weyl en Dresden woonden. Voorste rij v.l.n.r. moeder Henny Dresden, de dochters Hans en Juliette Dresden, Freddie Mouw, Eva Weyl, foto herinneringscentrum kamp Westerbork)

Ben Mouw ontvangt in mei bericht van het Rode Kruis dat al zijn naaste familieleden zijn vermoord: zijn moeder in Auschwitz, zijn halfbroer Jacob en diens vrouw Elisabeth in Sobibor, hun 15 jarige dochter Selma in Auschwitz. Ook zijn jongste broer Benjamin (Benny), getrouwd met een niet-joodse vrouw van Duitse komaf, zou zijn vermoord. Gelukkig blijkt weldra dat Benny toch nog leeft. De beide broers komen met elkaar in contact en Benny regelt een reisvergunning, waardoor het gezin Mouw het kamp mag verlaten. 

Na het kamp
Het gezin kan niet terug naar Arnhem. Ben Mouw had wellicht zijn oude beroep bij Huf weer kunnen oppakken, maar de kapotgeschoten stad zal tot augustus verboden terrein zijn voor de geëvacueerde bewoners. Bovendien is hun woning aan de Heijenoordseweg compleet vernield. Het gezin vertrekt definitief naar Amsterdam. Ben krijgt er een goede baan bij een Joodse kledingzaak. Freddie wordt Fred, haalt zijn HBS-diploma en wordt na zijn accountantsstudie gespecialiseerd jurist in het fiscale-en vennootschaps-en ondernemingsrecht. 

De Tweede Wereldoorlog heeft op het gezin Mouw een blijvende invloed gehad. Zoon Fred Mouw zegt daarover:
 


“Als ik nu naar mijn eigen kleinkinderen kijk, die hebben gewoon een opa en oma. Er is zich een normale familieband aan het vormen. Mijn ouders hebben dat niet gehad. Ik ben enig kind gebleven omdat mijn moeder vanwege één van de nazi-wetten gesteriliseerd moest worden. Mijn ouders zijn dus afgesneden van een grotere familie, van een andere toekomst. Dat – tezamen met de dood van vrijwel de hele familie van mijn vader, het leven onder de constante druk van deportatie in Westerbork, de Slag om Arnhem, van alles wat ze hebben meegemaakt – heeft een litteken bij mijn ouders achtergelaten. En gedeeltelijk ook bij mij.”


Na zijn pensionering zet Fred zich in voor het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Hij wordt bestuurslid, geeft rondleidingen en wordt gastdocent. Ook is hij lid van de Raad van Toezicht en van de Raad van Advies. Fred zegt daarover:

"Ik ben er nu kind aan huis. Mijn vader zou het fantastisch gevonden hebben".

Hans en Margot Weyl en hun dochter Eva komen in 1948 terug in Arnhem, waar zij hun textielzaak heropenen. Dochter Eva geeft voorlichting op Nederlandse en Duitse scholen. In Duitsland doet ze dat samen met de kleindochter van Albert Conrad Gemmeker, de gewezen kampcommandant van Westerbork.

Ook op een andere manier is Eva actief: op 26 januari 2020, hield zij een toespraak bij de Auschwitz-Herdenking in het Wertheimpark in Amsterdam.

Jans Askes, mei 2022

Noten

1) Voor hun lotgevallen zie het verhaal op deze site ‘De familie Gimpel van de Hoogkamp” https://joodsmonumentarnhem.nl/p/p/f.php?flexpag_id=193&rubriek_id=12

2) Sterilisatie van gemengd-gehuwden is in Duitsland wel overwogen, maar alleen in Nederland – tijdelijk – daadwerkelijk toegepast, uit: Teruggefloten door Hitler, Max Arian in de Groene Amsterdammer 2007, nummer 18 https://www.groene.nl/artikel/teruggefloten-door-hitler

Bronnen

https://bevrijdingsportretten.nl/portret/de-familie-mouw/ https://bevrijdingsportretten.nl/portret/dresden-weyl/

Artikelen Omroep Gelderland en het Dagblad van het Noorden

Vraaggesprekken en correspondentie met Fred Mouw, maart-mei 2022

Adresboeken Arnhem, Gelders Archief

www.wiewaswie.nl

 

Locatie Joods Monument Arnhem:
Kippenmarkt/Jonas Daniël Meijerplaats