menu  

Joods Monument Arnhem
Joods Monument Arnhem

 

 

 

 

De familie Israëls van de Amsterdamseweg

Er zijn twee groepsfoto's bekend van de bewoners van het Joods Jongenshuis aan de Amsterdamseweg in Arnhem. De eerste groepsfoto is gemaakt op 4 mei 1941, de tweede foto moet ergens in het late voorjaar of de zomer van 1942 zijn gemaakt. Opvallend detail: op beide foto's zitten op de onderste rij hetzelfde groepje jongens, de jongste Jongenshuis-bewoners op dat moment. Het gaat om Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en Louis Meinhard Peter Israëls (1928), beter bekend als Pietje Israëls.

(Groepsfoto 1 Jongenshuis mei 1941, met Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en [links] Louis Meinhard Peter Israëls (1928), beter bekend als Pietje Israëls, collectie Georg Mehr)

(Groepsfoto 2 Jongenshuis late voorjaar of zomer 1942 met Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en [omarmd] Louis Meinhard Peter Israëls (1928), beter bekend als Pietje Israëls, collectie Simcha Looijen)


In het Jongenshuis werden Joodse jongeren opgevangen die voor de oorlog vanuit Oostenrijk en Duitsland naar Nederland waren gevlucht, bijna altijd zonder ouders. Pietje Israëls en zijn familie, waar dit verhaal over gaat, legden een andere route af. Dit gezin bestond uit vier leden. Vader Arnold Stephan Israëls (1891), moeder Edith Israëls-Arons (1901), dochter Lore Louise (1925) en Pietje. Het gezin woonde in het stadje Weener, hemelsbreed slechts tien kilometer van de Nederlandse grens ter hoogte van het topje van de provincie Groningen.

Vlucht naar Nederland
Vader Arnold was actief voor de SPD en een fervent tegenstander van de nazi's. Dit was voor hem reden om na de machtsovername van de nationaalsocialisten begin 1933 uit de wijken naar Nederland. Zijn vrouw vroeg toestemming aan de autoriteiten om haar man achterna te reizen, maar dit werd haar geweigerd. De nazi's hielden haar liever in Duitsland om op die manier haar man onder controle te kunnen houden. In september 1934 bereikte Edith Israëls alsnog Nederland, samen met haar beide kinderen.

Het gezin vestigde zich aan de Heilooërdijk en later Rippingstraat 42, beide in Alkmaar en had daar een aantal goede jaren. Arnold Israëls werkte voor de DEKA-melkfabriek van zijn neef Stefan de Kadt. In 1939 woonden Menno en Betty Valk een aantal maanden bij het gezin in. Menno en Betty waren de kinderen van Ediths zus Gretchen. In maart 1939 emigreerden Gretchen Valk en haar man vanuit Duitsland naar Palestina en namen Menno en Betty mee.

 

Vermist
Het leven van het gezin Israëls veranderde radicaal op 10 mei 1940, het moment van de Duitse inval in Nederland. Die inval was voor Arnold Israëls reden om op de vlucht te slaan. Hij was immers bij de nazi's bekend als tegenstander van het regime. Wat er precies is gebeurd is niet duidelijk, maar Arnold Israëls staat sinds 10 mei 1940 geregistreerd als vermist.

Volgens een opmerking gemaakt in 1998 door zijn neef Menno Valk, te vinden in de archieven van Yad Vashem, zou Arnold Israëls zijn doodgeschoten toen hij de Nederlands-Belgische grens probeerde over te steken. Hoewel dat heel goed mogelijk is, zijn er verder geen bronnen die deze bewering ondersteunen. Wat wel vast staat is dat Arnold Israëls sinds 10 mei 1940 vermist is en dat zijn gezin geen weet heeft gehad van zijn lot. Op de persoonskaart van Edith Israëls in de Joodse Cartotheek staat: “echtgenoot sinds mei 1940 vermist”.

(Persoonskaart Edith Israëls in Westerbork, foto Joodse Cartotheek Arolson archieven)

Herinneringen aan een vermoord kind
In de documentaire 'Herinnering aan een vermoord kind' van Willy Lindwer, gebaseerd op het boek Kinderkronieken van Guus Luijters, omschreef een oud-buurtgenoot Pietje Israëls als een fel kind: “een haantje de voorste”. Samen met een aantal andere jongeren richtte Pietje de club “Tuinieren IS Prettig” op, afgekort als TIP. De club hielp oudere mensen in de buurt met het bijhouden van de tuin. De buurtgenoot vertelde in dezelfde documentaire over de deportatie van het gezin-Israëls uit Alkmaar. Dat het menselijk geheugen niet al te betrouwbaar is blijkt maar weer, want de familie-Israëls is nooit gedeporteerd vanuit Alkmaar. Eind 1940 vestigde Edith zich namelijk met haar twee kinderen in Arnhem.

(Pietje Israëls, foto joodsmonument.nl)

Oude liedentehuis
Edith vond werk als directrice van het Oude Liedentehuis aan de Markt 5. Een personeelslid omschreef Edith later als “een aardige vrouw met wie je lachen kon”. In het Oude Liedentehuis verbleven voornamelijk Poolse en Duitse ouden van dagen van Joodse afkomst. Ook Ediths ouders Moritz en Lea Arons woonden in het Oude Liedentehuis. Zij waren in 1939 vanuit het Duitse Emden naar Nederland gevlucht. Via Alkmaar en Alphen aan de Rijn kwamen zij terecht in Arnhem.

(Oude liedentehuis Beth Mikloth Lezikno aan de Markt 5 rond 1924 [met rode stip], foto Gelders Archief)


Jongenshuis

Edith woonde zelf in een huis voor Joodse vluchtelingen aan de Sweerts de Landasstraat 63. Dochter Lore en zoon Pietje werden ondergebracht in het Joods Jongenshuis in Arnhem. De situatie van Lore en Pietje verschilde ten opzichte van de andere bewoners van het Jongenshuis, aangezien deze bijna allemaal zonder ouders naar Nederland kwamen.

(Lore Israëls, foto joodsmonument.nl)

Lore Israëls volgde waarschijnlijk nog een jaar de mulo in Arnhem, Vanaf juli 1942 werkte zij als huishoudelijke hulp in het Oude Liedentehuis. Zij staat ook op de groepsfoto uit mei 1941 en waarschijnlijk op de groepsfoto uit 1942. Pietje Israëls wordt op deze foto omhelst door een meisje. Aan de hand van bekende foto's van Lore Israëls is het lastig te zeggen of zij dat meisje is, maar de verpleegsterschort doet vermoeden van wel. De alternatieve verklaring is dat Pietje Israëls een vriendinnetje had in het Jongenshuis.

Ontruiming
Het Jongenshuis werd op 11 december 1942 ontruimd en kreeg daarna de status van doorgangsziekenhuis, annex verzorgingstehuis. In het huis werden voornamelijk Joodse oude dagen opgevangen die nog niet gedeporteerd waren, maar die ook niet meer thuis konden wonen omdat te veel mensen om hen heen die een zorgtaak konden verrichten inmiddels wel gedeporteerd waren. Het grootste deel van het personeel van het Jongenshuis en een aantal jongeren, waaronder Lore en Pietje Israëls, bleven achter in Arnhem. Ook Edith Israëls kwam in het huis aan de Amsterdamseweg wonen. Het Oudeliedenhuis op Markt 5 werd op hetzelfde moment als het Jongenshuis ontruimd. Bijna alle personeelsleden en bewoners, waaronder Ediths ouders, vertrokken naar Westerbork. Edith was de uitzondering op de regel. Als directrice had zij mogelijk een streepje voor. Bovendien was zij met haar achtergrond in de zorg ongetwijfeld een welkome kracht in het doorgangsziekenhuis.

(Amsterdamseweg vanaf de zuidzijde; van links naar rechts Villa Marguerita “het Jongenshuis” no 1-3, Villa Nova, Villa Schoonoord rond 1880 ©Gelders Archief)

(Amsterdamseweg vanaf de noordzijde situatie 2020 met CITO gebouw waar de Villa's  Marguerita [tussen Cito en huidige achteringang station], Nova en Schoonoord stonden)


Grootouders
In januari 1943 was het lot het gezin-Israëls wederom niet goed gezind. (Groot)vader Moritz Arons overleed in Westerbork. Edith plaatste namens de familie een rouwadvertentie in het Joods Weekblad. Een maand later werd zijn (groot)moeder Lea gedeporteerd naar Auschwitz, waar ze rechtstreeks de gang naar de gaskamer maakte.

(Rouwadvertentie, Joods Weekblad, 15 januari 1943)


Romantiek
Bij al het ongeluk ging het gewone leven door. Dochter Lore ontwikkelde romantische gevoelens voor Simon Nathans, de huisknecht van het doorgangsziekenhuis. In de eerste week van april 1943 traden zij in het huwelijk. De vijftien jaar oudere geboren Arnhemmer kwam uit een een grote Joodse familie en was oorspronkelijk veehandelaar. Zijn oom en tante Abraham Boers en Leentje Boers-Nathans woonden in de eerste maanden van 1943 ook in het doorgangsziekenhuis aan de Amsterdamseweg.

Hun wittebroodsweken bracht het kersverse echtpaar door in Kamp Vught, omdat het doorgangsziekenhuis een paar dagen na de huwelijkssluiting werd ontruimd. De laatste oorspronkelijke bewoners van het Jongenshuis vertrokken naar Westerbork, de overige bewoners gingen op transport naar Kamp Vught. De komst van hun moeder en/of het huwelijk van Lore Israëls met Simon Nathans zijn er waarschijnlijk de reden voor het gezin-Israëls, aangevuld met Simon Nathans, naar Kamp Vught vertrok. Dat was slechts van korte duur Op 3 juli 1943 beland het viertal alsnog in Westerbork.

Het einde
Een aantal aantekeningen op de achterkant van Edith Israëls persoonskaart doet vermoeden dat zij nog verschillende contacten heeft ingeschakeld om deportatie naar Polen te voorkomen. Kampen als Bergen-Belsen en Theresienstadt hadden een betere reputatie dan de concentratiekampen in Polen, ook al zullen de meeste mensen deze kampen nog niet geassocieerd hebben met de vernietiging van mensenlevens op industriële schaal. Hoe dan ook, haar acties haalden niets uit. De woorden “Theresienstadtanfrag is nicht möglich” zijn duidelijk te lezen achterop de persoonskaart.

Op 13 juli 1943 vertrokken Edith Israëls-Arons, Lore Israëls-Nathans, Pietje Israëls en Simon Nathans naar Sobibór en werden direct na aankomst vermoord.

November 2022, Simcha Looijen

 

Over de auteur
Simcha Looijen werkt aan een boek over het Joods Jongenshuis in Arnhem. Dit artikel is gebaseerd op onderzoek voor dit boek.

 

Bronnen

Jan van Baar, de familie Drukker en de tragiek van Joods Alkmaar, Alkmaarse Historische Publicaties, 2021 

Joodsmonument.nl 

https://rheiderland.vvn-bda-niedersachsen.de/

de archieven van Yad Vashem en Arolsen

krantenarchief Delpher.nl

Margo Klijn, de Stille Slag. Joodse Arnhemmers 1933-1945, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014 

 

Verwijzing

Zie ook op deze site het verhaal van Klaas Korver: 'De ontruiming van het Joods kindertehuis, het verhaal van mijn moeder'.


In het namenregister van deze site wordt bij de volgende personen verwezen naar dit verhaal. Het betreft:

Moritz Israel Arons; Leah Sara Arons-Rosenberg; Edith Sara Israëls-Arons; Lore Louise  Nathans-Israëls; Simon Nathans; Louis Meinhard Peter Israëls; Abraham Boers en Leentje Boers-Nathans.

Verhalen

De familie Israëls van de Amsterdamseweg

Er zijn twee groepsfoto's bekend van de bewoners van het Joods Jongenshuis aan de Amsterdamseweg in Arnhem. De eerste groepsfoto is gemaakt op 4 mei 1941, de tweede foto moet ergens in het late voorjaar of de zomer van 1942 zijn gemaakt. Opvallend detail: op beide foto's zitten op de onderste rij hetzelfde groepje jongens, de jongste Jongenshuis-bewoners op dat moment. Het gaat om Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en Louis Meinhard Peter Israëls (1928), beter bekend als Pietje Israëls.

(Groepsfoto 1 Jongenshuis mei 1941, met Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en [links] Louis Meinhard Peter Israëls (1928), beter bekend als Pietje Israëls, collectie Georg Mehr)

(Groepsfoto 2 Jongenshuis late voorjaar of zomer 1942 met Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en [omarmd] Louis Meinhard Peter Israëls (1928), beter bekend als Pietje Israëls, collectie Simcha Looijen)


In het Jongenshuis werden Joodse jongeren opgevangen die voor de oorlog vanuit Oostenrijk en Duitsland naar Nederland waren gevlucht, bijna altijd zonder ouders. Pietje Israëls en zijn familie, waar dit verhaal over gaat, legden een andere route af. Dit gezin bestond uit vier leden. Vader Arnold Stephan Israëls (1891), moeder Edith Israëls-Arons (1901), dochter Lore Louise (1925) en Pietje. Het gezin woonde in het stadje Weener, hemelsbreed slechts tien kilometer van de Nederlandse grens ter hoogte van het topje van de provincie Groningen.

Vlucht naar Nederland
Vader Arnold was actief voor de SPD en een fervent tegenstander van de nazi's. Dit was voor hem reden om na de machtsovername van de nationaalsocialisten begin 1933 uit de wijken naar Nederland. Zijn vrouw vroeg toestemming aan de autoriteiten om haar man achterna te reizen, maar dit werd haar geweigerd. De nazi's hielden haar liever in Duitsland om op die manier haar man onder controle te kunnen houden. In september 1934 bereikte Edith Israëls alsnog Nederland, samen met haar beide kinderen.

Het gezin vestigde zich aan de Heilooërdijk en later Rippingstraat 42, beide in Alkmaar en had daar een aantal goede jaren. Arnold Israëls werkte voor de DEKA-melkfabriek van zijn neef Stefan de Kadt. In 1939 woonden Menno en Betty Valk een aantal maanden bij het gezin in. Menno en Betty waren de kinderen van Ediths zus Gretchen. In maart 1939 emigreerden Gretchen Valk en haar man vanuit Duitsland naar Palestina en namen Menno en Betty mee.

 

Vermist
Het leven van het gezin Israëls veranderde radicaal op 10 mei 1940, het moment van de Duitse inval in Nederland. Die inval was voor Arnold Israëls reden om op de vlucht te slaan. Hij was immers bij de nazi's bekend als tegenstander van het regime. Wat er precies is gebeurd is niet duidelijk, maar Arnold Israëls staat sinds 10 mei 1940 geregistreerd als vermist.

Volgens een opmerking gemaakt in 1998 door zijn neef Menno Valk, te vinden in de archieven van Yad Vashem, zou Arnold Israëls zijn doodgeschoten toen hij de Nederlands-Belgische grens probeerde over te steken. Hoewel dat heel goed mogelijk is, zijn er verder geen bronnen die deze bewering ondersteunen. Wat wel vast staat is dat Arnold Israëls sinds 10 mei 1940 vermist is en dat zijn gezin geen weet heeft gehad van zijn lot. Op de persoonskaart van Edith Israëls in de Joodse Cartotheek staat: “echtgenoot sinds mei 1940 vermist”.

(Persoonskaart Edith Israëls in Westerbork, foto Joodse Cartotheek Arolson archieven)

Herinneringen aan een vermoord kind
In de documentaire 'Herinnering aan een vermoord kind' van Willy Lindwer, gebaseerd op het boek Kinderkronieken van Guus Luijters, omschreef een oud-buurtgenoot Pietje Israëls als een fel kind: “een haantje de voorste”. Samen met een aantal andere jongeren richtte Pietje de club “Tuinieren IS Prettig” op, afgekort als TIP. De club hielp oudere mensen in de buurt met het bijhouden van de tuin. De buurtgenoot vertelde in dezelfde documentaire over de deportatie van het gezin-Israëls uit Alkmaar. Dat het menselijk geheugen niet al te betrouwbaar is blijkt maar weer, want de familie-Israëls is nooit gedeporteerd vanuit Alkmaar. Eind 1940 vestigde Edith zich namelijk met haar twee kinderen in Arnhem.

(Pietje Israëls, foto joodsmonument.nl)

Oude liedentehuis
Edith vond werk als directrice van het Oude Liedentehuis aan de Markt 5. Een personeelslid omschreef Edith later als “een aardige vrouw met wie je lachen kon”. In het Oude Liedentehuis verbleven voornamelijk Poolse en Duitse ouden van dagen van Joodse afkomst. Ook Ediths ouders Moritz en Lea Arons woonden in het Oude Liedentehuis. Zij waren in 1939 vanuit het Duitse Emden naar Nederland gevlucht. Via Alkmaar en Alphen aan de Rijn kwamen zij terecht in Arnhem.

(Oude liedentehuis Beth Mikloth Lezikno aan de Markt 5 rond 1924 [met rode stip], foto Gelders Archief)


Jongenshuis

Edith woonde zelf in een huis voor Joodse vluchtelingen aan de Sweerts de Landasstraat 63. Dochter Lore en zoon Pietje werden ondergebracht in het Joods Jongenshuis in Arnhem. De situatie van Lore en Pietje verschilde ten opzichte van de andere bewoners van het Jongenshuis, aangezien deze bijna allemaal zonder ouders naar Nederland kwamen.

(Lore Israëls, foto joodsmonument.nl)

Lore Israëls volgde waarschijnlijk nog een jaar de mulo in Arnhem, Vanaf juli 1942 werkte zij als huishoudelijke hulp in het Oude Liedentehuis. Zij staat ook op de groepsfoto uit mei 1941 en waarschijnlijk op de groepsfoto uit 1942. Pietje Israëls wordt op deze foto omhelst door een meisje. Aan de hand van bekende foto's van Lore Israëls is het lastig te zeggen of zij dat meisje is, maar de verpleegsterschort doet vermoeden van wel. De alternatieve verklaring is dat Pietje Israëls een vriendinnetje had in het Jongenshuis.

Ontruiming
Het Jongenshuis werd op 11 december 1942 ontruimd en kreeg daarna de status van doorgangsziekenhuis, annex verzorgingstehuis. In het huis werden voornamelijk Joodse oude dagen opgevangen die nog niet gedeporteerd waren, maar die ook niet meer thuis konden wonen omdat te veel mensen om hen heen die een zorgtaak konden verrichten inmiddels wel gedeporteerd waren. Het grootste deel van het personeel van het Jongenshuis en een aantal jongeren, waaronder Lore en Pietje Israëls, bleven achter in Arnhem. Ook Edith Israëls kwam in het huis aan de Amsterdamseweg wonen. Het Oudeliedenhuis op Markt 5 werd op hetzelfde moment als het Jongenshuis ontruimd. Bijna alle personeelsleden en bewoners, waaronder Ediths ouders, vertrokken naar Westerbork. Edith was de uitzondering op de regel. Als directrice had zij mogelijk een streepje voor. Bovendien was zij met haar achtergrond in de zorg ongetwijfeld een welkome kracht in het doorgangsziekenhuis.

(Amsterdamseweg vanaf de zuidzijde; van links naar rechts Villa Marguerita “het Jongenshuis” no 1-3, Villa Nova, Villa Schoonoord rond 1880 ©Gelders Archief)

(Amsterdamseweg vanaf de noordzijde situatie 2020 met CITO gebouw waar de Villa's  Marguerita [tussen Cito en huidige achteringang station], Nova en Schoonoord stonden)


Grootouders
In januari 1943 was het lot het gezin-Israëls wederom niet goed gezind. (Groot)vader Moritz Arons overleed in Westerbork. Edith plaatste namens de familie een rouwadvertentie in het Joods Weekblad. Een maand later werd zijn (groot)moeder Lea gedeporteerd naar Auschwitz, waar ze rechtstreeks de gang naar de gaskamer maakte.

(Rouwadvertentie, Joods Weekblad, 15 januari 1943)


Romantiek
Bij al het ongeluk ging het gewone leven door. Dochter Lore ontwikkelde romantische gevoelens voor Simon Nathans, de huisknecht van het doorgangsziekenhuis. In de eerste week van april 1943 traden zij in het huwelijk. De vijftien jaar oudere geboren Arnhemmer kwam uit een een grote Joodse familie en was oorspronkelijk veehandelaar. Zijn oom en tante Abraham Boers en Leentje Boers-Nathans woonden in de eerste maanden van 1943 ook in het doorgangsziekenhuis aan de Amsterdamseweg.

Hun wittebroodsweken bracht het kersverse echtpaar door in Kamp Vught, omdat het doorgangsziekenhuis een paar dagen na de huwelijkssluiting werd ontruimd. De laatste oorspronkelijke bewoners van het Jongenshuis vertrokken naar Westerbork, de overige bewoners gingen op transport naar Kamp Vught. De komst van hun moeder en/of het huwelijk van Lore Israëls met Simon Nathans zijn er waarschijnlijk de reden voor het gezin-Israëls, aangevuld met Simon Nathans, naar Kamp Vught vertrok. Dat was slechts van korte duur Op 3 juli 1943 beland het viertal alsnog in Westerbork.

Het einde
Een aantal aantekeningen op de achterkant van Edith Israëls persoonskaart doet vermoeden dat zij nog verschillende contacten heeft ingeschakeld om deportatie naar Polen te voorkomen. Kampen als Bergen-Belsen en Theresienstadt hadden een betere reputatie dan de concentratiekampen in Polen, ook al zullen de meeste mensen deze kampen nog niet geassocieerd hebben met de vernietiging van mensenlevens op industriële schaal. Hoe dan ook, haar acties haalden niets uit. De woorden “Theresienstadtanfrag is nicht möglich” zijn duidelijk te lezen achterop de persoonskaart.

Op 13 juli 1943 vertrokken Edith Israëls-Arons, Lore Israëls-Nathans, Pietje Israëls en Simon Nathans naar Sobibór en werden direct na aankomst vermoord.

November 2022, Simcha Looijen

 

Over de auteur
Simcha Looijen werkt aan een boek over het Joods Jongenshuis in Arnhem. Dit artikel is gebaseerd op onderzoek voor dit boek.

 

Bronnen

Jan van Baar, de familie Drukker en de tragiek van Joods Alkmaar, Alkmaarse Historische Publicaties, 2021 

Joodsmonument.nl 

https://rheiderland.vvn-bda-niedersachsen.de/

de archieven van Yad Vashem en Arolsen

krantenarchief Delpher.nl

Margo Klijn, de Stille Slag. Joodse Arnhemmers 1933-1945, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014 

 

Verwijzing

Zie ook op deze site het verhaal van Klaas Korver: 'De ontruiming van het Joods kindertehuis, het verhaal van mijn moeder'.


In het namenregister van deze site wordt bij de volgende personen verwezen naar dit verhaal. Het betreft:

Moritz Israel Arons; Leah Sara Arons-Rosenberg; Edith Sara Israëls-Arons; Lore Louise  Nathans-Israëls; Simon Nathans; Louis Meinhard Peter Israëls; Abraham Boers en Leentje Boers-Nathans.

 

Locatie Joods Monument Arnhem:
Kippenmarkt/Jonas Daniël Meijerplaats