Simcha Looijen
Een eerdere versie van dit artikel verscheen in november 2022 op deze site. Naar aanleiding van dit artikel nam Piter van Tuinen in december 2025 contact op met Joods Monument Arnhem. Zijn vader Sybren van Tuinen (1913-1993) was tijdens de mobilisatietijd als luitenant van een Friese compagnie gedetacheerd in Alkmaar. Hij was toen ingekwartierd bij Edith Israëls en erg gesteld op haar en Pietje. Dochter Loek verbleef toen elders. Na zijn terugkeer naar Friesland bleef Van Tuinen contact houden met Edith Israëls, tot het moment dat het gezin vertrok naar Kamp Vught. De inhoud van de brieven is verwerkt in een nieuwe versie van dit artikel.
De Joodse Arnold Israëls (1891) woonde met zijn vrouw Edith (1901) en twee kinderen, Loek (1925) en Pietje (1928), in het Duitse plaatsje Weener. Hemelsbreed lag Weener slechts tien kilometer van de Nederlandse grens ter hoogte van de provincie Groningen. Israëls was actief voor de SPD en een fervent tegenstander van de nazi's. Dit was voor hem reden om na de machtsovername door de nationaalsocialisten begin 1933 uit te wijken naar Nederland. Zijn vrouw vroeg toestemming aan de autoriteiten om haar man achterna te reizen, maar dit werd haar geweigerd. De nazi's hielden haar liever in Duitsland om op die manier haar man onder controle te kunnen houden. In september 1934 bereikte Edith Israëls alsnog Nederland, samen met haar beide kinderen.
Alkmaar
Het gezin vestigde zich aan de Heilooërdijk en later Rippingstraat 42, beide in Alkmaar en had daar een aantal goede jaren. Arnold Israëls werkte voor de DEKA-melkfabriek van zijn neef Stefan de Kadt. In 1939 woonden Menno en Betty Valk een aantal maanden bij het gezin in. Menno en Betty waren de kinderen van Ediths zus Gretchen. In maart 1939 emigreerden Gretchen Valk en haar man vanuit Duitsland naar Palestina en namen Menno en Betty mee.
Herinneringen aan een vermoord kind
In de documentaire 'Herinnering aan een vermoord kind' van Willy Lindwer, gebaseerd op het boek Kinderkronieken van Guus Luijters, omschreef een oud-buurtgenoot Pietje Israëls als een fel kind: “een haantje de voorste”. Samen met een aantal andere jongeren richtte Pietje de club “Tuinieren IS Prettig” op, afgekort als TIP. De club hielp oudere mensen in de buurt met het bijhouden van de tuin. De buurtgenoot vertelde in dezelfde documentaire over de deportatie van het gezin-Israëls uit Alkmaar. Dat het menselijk geheugen niet al te betrouwbaar is blijkt maar weer, want de familie-Israëls is nooit gedeporteerd vanuit Alkmaar. 
(Pietje Israëls, foto joodsmonument.nl)
Vermist
Het leven van het gezin Israëls veranderde radicaal na de Duitse inval op 10 mei 1940. Die inval was voor Arnold Israëls reden om op de vlucht te slaan. Hij was immers bij de nazi's bekend als tegenstander van het regime.
Volgens een opmerking gemaakt in 1998 door zijn neef Menno Valk, te vinden in de archieven van Yad Vashem, zou Arnold Israëls zijn doodgeschoten toen hij de Nederlands-Belgische grens probeerde over te steken. Dat ligt in de lijn met wat Edith Israëls zelf schreef een jaar na de verdwijning van haar man: “Vaak denk ik ook wel, wie weet of hij het niet beter heeft als wij, dat hij zijn rust gevonden heeft. Zo prettig is voor ons de toekomst niet en veel staat ons misschien nog voor. Ik ben in Bergeijk geweest en heb een ontvangst bij de directeur en de zusters gehad, die onbeschrijfelijk was. Die zusters hadden alles in de kamer van mijn man nog zo staan als hij het had verlaten. Zelfs het portret van de kinderen en mij stond nog op het nachtkastje. Het was natuurlijk alles erg deprimerend voor mij, maar toch een geruststelling om zijn laatste omgeving te zien en vreemde mensen in de prettigste en respectvolste wijze over hem te horen praten”.
Op dat moment waren er volop gevechten gaande in dat deel van België. Het is niet bekend waar en wanneer precies Arnold Israëls is doodgeschoten, noch waar hij begraven ligt.
Edith Israëls moet zich vrij snel gerealiseerd hebben dat haar man niet meer terugkwam. Op 11 augustus 1940 schreef zij namelijk: “Van mijn man is nog steeds geen bericht. Het is vreselijk., maar ik wil u er maar niet meer over schrijven. De ellende is in dit geval zo persoonlijk! Wij weten met welke zware gedachten die man, een vriend van zovelen, omgekomen is zonder iemand om zich (heen, SL) te hebben, die hij of hem liefhebben”.
Ook begin 1941 bleef de onzekerheid over haar man voortduren. Op 11 januari schreef Edith: “Over mijn man heb ik natuurlijk altijd nog niets gehoord, het is vreselijk en ik wil niet verder denken, misschien-misschien!”
Weg uit Alkmaar
Edith Israëls en haar twee kinderen hadden weinig tijd om te rouwen. In september 1940 moest zij samen met Pietje weg uit Alkmaar vanwege een Duitse verordening die bepaalde dat alle niet-Nederlandse vreemdelingen weg moesten uit de kuststreek. Loek bleef nog tot november 1940 in Alkmaar, omdat kinderen tot vijftien jaar iets langer uitstel kregen. Op 2 november 1940 schreef Edith aan Sybren van Tuinen: “Zoals u aan de poststempel wel ziet, ben ik in Apeldoorn en (onleesbaar…) moesten wij op 9 september Alkmaar slechts in drie dagen verlaten, zoals alle Duitse Joden die in de kuststrook woonden. Dat was of is voor mij natuurlijk een vreselijke ramp om alles thuis te laten en liggen en binnen 3 dagen zonder geldmiddel een onderdak te vinden. Ik ben hier nu door relaties bij een dokter met Piet opgenomen sinds 11 september. Loek, die nog geen 15 is, mocht blijven en is bij vaandrig Kaas in huis tot december. Dan wordt ze 15 en moet Alkmaar ook verlaten”.
Op dat moment had Edith Israëls wel uitzicht op een baan. “Ik heb wel kans om naar Arnhem te komen als hulp in een huis met 60 Rotterdamse jongens en meisjes”. Israëls had het hierbij over het Jongenshuis. Deze groep bestond uit tieners die voor de oorlog met de kindertransporten naar Nederland waren gevlucht en in september 1940 in opvanghuizen in Den Haag en Rotterdam verbleven. Net als Israëls moesten ook zij de kuststreek verlaten. Ze vonden onderdak in Villa Marguerite, een grote villa pal achter station Arnhem. Het nieuwe onderkomen kreeg de naam Jongenshuis (aanvankelijk was het plan alleen jongens onder te brengen in Villa Marguerite).

(Amsterdamseweg vanaf de zuidzijde; van links naar rechts Villa Marguerite “het Jongenshuis” no 1-3, Villa Nova, Villa Schoonoord rond 1880 ©Gelders Archief)

(Amsterdamseweg 1-3 ligging Villa Marguerite [paars} 'het Jongenshuis', reconstructie Ad Habets)
Verhuizing naar Arnhem
Die baan in het Jongenshuis ging niet door. Wel kreeg Israëls een andere baan aangeboden in Arnhem. Ze kwam te werken in het Oude Liedentehuis, een Joods bejaardenhuis dat lag aan de Markt. Een personeelslid omschreef Edith later als “een aardige vrouw met wie je lachen kon”. Zelf schreef ze erover “Het is een Oude Liedentehuis waar ik werk. Mijn oudste baby is 82 jaar en gek op mij. U kunt niet geloven hoe leuk die oude mensen vaak zijn. Het zijn 25 geëvacueerde Joden die van de stad en gemeente Arnhem prachtig zijn opgenomen. Ik heb nu mijn werkvergunning gekregen dat naar de laatste bepalingen alles zo blijft als het is. De kinderen zijn hier in een kindertehuis (Het Jongenshuis, SL), waar 75 kinderen uit dezelfde omstandigheden zijn ondergebracht. Ze hebben het wel niet zo bijzonder goed en het is in het huis een echt vluchtelingsleven, maar ik moet toch zien door de tijd te komen, en toch ook hét liefst zonder hulp. Loek gaat naar de huishoudschool en Piet gewoon op school. (…) Loek is een erg mooi en flink meisje geworden. Ik moet ze erg in de gaten houden in de dagelijkse omgang met 50 jongens. Ze is gelukkig net als haar moeder”.

(Edith Israëls-Arons, foto Natonaal Archief)

(Oude liedentehuis Beth Mikloth Lezikno aan de Markt 5 rond 1924 [met rode stip], foto Gelders Archief)
Het Jongenshuis
Er zijn twee groepsfoto's bekend van de bewoners. Loek en Pietje staan op beide foto's. De eerste groepsfoto is gemaakt op 4 mei 1941, de tweede foto is ergens in mei of juni 1942 gemaakt. Opvallend detail: op beide foto's zitten op de onderste rij hetzelfde groepje jongens. Het gaat om Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en Pietje Israëls. Op de foto uit 1942 wordt Pietje omhelsd door Loek.
(Groepsfoto 1 Jongenshuis mei 1941, met Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en [links] Louis Meinhard Peter Israëls (1928), beter bekend als Pietje Israëls, collectie Georg Mehr)
(Groepsfoto 2 Jongenshuis late voorjaar of zomer 1942 met Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en [omarmd door zus Loek] Louis Meinhard Peter Israëls (1928), beter bekend als Pietje Israëls, collectie Simcha Looijen)

(Lore [Loek} Israëls, foto joodsmonument.nl)
Edith woonde zelf in een huis voor Joodse vluchtelingen aan de Sweerts de Landasstraat 63. Ook Ediths ouders Moritz en Lea Arons woonden in Arnhem en wel in het Oude Liedentehuis. Zij waren in 1939 vanuit het Duitse Emden naar Nederland gevlucht. Via Alkmaar en Alphen aan de Rijn kwamen zij terecht in Arnhem.
Nieuwe liefde
Ondank de ellende van de oorlog ging het normale leven ook weer verder. Ruim een jaar na het verdwijnen van haar man lijkt er voorzichtig toch weer ruimte voor een nieuwe liefde in het leven van Edith Israëls. Zij schreef op 12 juni 1941 aan Sybren van Tuinen: “Terwijl ik met al mijn werk en zorgen te doen heb, is er een mens gekomen die erg om me geeft. Het is een collega van u, mijnheer. Ik ken hem al lang, maar zolang als mijn man er was, heeft hij nooit getracht, zijn gevoelens te uiten. U weet dat ik geen bakvis meer ben en het leven heus zo beschouw als het is, maar ik moet toch toegeven, dat die man heel erg verliefd op mij is (…) Ik weet niet hoe ik mij moet gedragen. Ik weet het heus niet. U ben de eerste met wie ik er over spreek en ik wilde zo vreselijk graag dat u mij schrijft wat ik doen moet. Ik wilde zo graag uw raad. Het zou voor mij zo veel beduiden. Zult u het doen, mijnheer? U weet hoe ik op u vertrouw. Zo, nu heb ik het eerlijk gezegd. Het is een steen op mijn hart. Het is een vreselijke situatie. Naar een kant is het heel leeg zonder mijn man, naar de andere kant is het natuurlijk geruststellend dat er iemand is die om me geeft. Schrijf u mij alstublieft terug want ik zit zo erg in de put”
Het is niet bekend om wie het precies gaat. In haar latere brieven komt het onderwerp ook niet meer terug.
Bar mitswa
In september 1941 deed Pietje Israëls zijn bar mitswa. Zijn moeder: “Piet is nog altijd dezelfde schat. Voor vier weken is hij kerkelijk aangenomen en heeft zijn bekentenis voor het Jodendom afgelegd. Hij heeft zijn zaak reuze goed gedaan. Ze hadden in het kinderhuis een echt fuifje voor hem gemaakt. De leiding heeft hem fantastisch toegesproken en iedereen (er waren 110 personen) stond onder de indruk. Alleen de vader werd natuurlijk erg gemist”.

(Brief Edith Israëls, privé collectie)
In diezelfde maand maakte Edith Israëls promotie en kreeg de leiding van het Oude Liedentehuis. Dat betekende ook een aanzienlijke salarisverhoging, waardoor de financiële noden afnamen. In haar woorden klinken op de achtergrond de toenemende anti-Joodse maatregels door: “Heb op het ogenblik veel zieken, waardoor ik al 7 weken niet uit het huis geweest ben. Eigenlijk mis ik het ook niet, want ik kan toch nergens naar toe gaan”.
Het net sluit zich
Na dit schrijven in oktober 1941 is de volgende bewaard gebleven brief van Edith Israëls pas weer van 1 december 1942. In dat jaar gebeurde veel. Het net rond de Joden sloot zich steeds verder Sinds mei moesten Joden een ster dragen; vanaf juli vertrokken vanuit Westerbork de eerste deportatietreinen naar het oosten. In Arnhem vond in november de eerste grote razzia plaats. Tegen die achtergrond schrijft Israëls: “Ik was vanochtend erg blij met uw brief, mijnheer. Zoiets doet je goed en je hebt weer eens het gevoel dat je in alle narigheid nog een hou-vast aan je vrienden hebt. (…) Gisteren heb ik erg aardige visite gehad van familie Schurmann. Ik vond het reuzeleuk, alleen was de boodschap die zij mij brachten minder, want zij vertelden mij, dat ze mijn gehele huis leeg gehaald hebben en er al weer nieuwe mensen wonen. Het is natuurlijk verschrikkelijk jammer dat nu alles weg is, maar je vreest iedere dag zo om je leven dat al het andere op de achtergrond geraakt is. (…) Uw brief was zo prachtig. Ik heb hem aan mijn ouders – alle twee zijn door de dagelijkse opwindingen erg down – voorgelezen. Wat was het toch een leuke tijd toen u bij ons was. Wij hadden toen nog niet die ontzettende angst en moesten nog niet denken, liggen we morgenochtend nog in ons eigen bed”.
Doorgangsziekenhuis
Precies tien dagen nadat Edith Israëls dit schreef vond in Arnhem de tweede grote razzia plaats. Het Jongenshuis werd ook ontruimd en kreeg daarna de status van doorgangsziekenhuis, annex verzorgingstehuis. In het huis werden voornamelijk Joodse oude dagen opgevangen die nog niet gedeporteerd waren, maar die ook niet meer thuis konden wonen omdat te veel mensen om hen heen die een zorgtaak konden verrichten inmiddels wel gedeporteerd waren. Het grootste deel van het personeel van het Jongenshuis en een aantal jongeren, waaronder Loek en Pietje Israëls, bleven achter in Arnhem. Ook Edith Israëls kwam in het huis aan de Amsterdamseweg wonen. Het Oudeliedenhuis op Markt 5 werd op hetzelfde moment als het Jongenshuis ontruimd. De bewoners gingen naar Westerbork, terwijl de meeste personeelsleden in het doorgangsziekenhuis terecht kwamen.
In januari 1943 was het lot het gezin-Israëls wederom niet goed gezind. Ediths vader Moritz Arons overleed in Westerbork. Edith plaatste namens de familie een rouwadvertentie in het Joods Weekblad. Een maand later werd haar moeder Lea gedeporteerd naar Auschwitz, waar ze rechtstreeks de gang naar de gaskamer maakte.

(Rouwadvertentie, Joods Weekblad, 15 januari 1943)
Verhuisbericht
Op 30 maart 1943 volgt nog een laatste korte brief aan Sybren van Tuinen waarin Edith vraagt of hij twee regenjassen naar haar wil opsturen en wel met spoed. “Wat naar de laatste bepalingen voor ons volgt, heeft u wel gelezen”. Het doorgangsziekenhuis zou namelijk worden ontruimd en alle bewoners overgebracht worden naar Westerbork en Vught. Dit gebeurde een week later. Op 8 april geeft Edith haar allerlaatste levensteken af richting Sybren van Tuinen: een verhuisbericht. Bij het nieuwe adres staan alleen de woorden “Kamp Vught”. 
(Verhuisbericht naar Vught van Edith, Loek en Piet)
In de middag van 9 april vertrekken Edith, Loek en Pietje naar Vught. Loek wordt vergezeld door haar kersverse echtgenote Simon Nathans. Die ochtend trad Loek met de elf jaar oudere Arnhemmer in het huwelijk. Nathans was eerder huisknecht in het Oude Liedentehuis en na de ontruiming daarvan meegekomen naar het doorgangsziekenhuis.
Het einde
Hun wittebroodsweken brengt het stel door in Kamp Vught. Door getuigenissen van Joodse gevangen die daar in dezelfde periode vastzaten is bekend dat kampgevangenen het zeer zwaar hadden en afgebeuld werden. Na drie maanden werd het gezin-Israëls, inclusief Simon Nathans, overgebracht naar Westerbork. Een aantal aantekeningen op de achterkant van Edith Israëls persoonskaart doet vermoeden dat zij nog verschillende contacten heeft ingeschakeld om deportatie naar Polen te voorkomen. Kampen als Bergen-Belsen en Theresienstadt hadden een betere reputatie dan de concentratiekampen in Polen, ook al zullen de meeste mensen deze kampen nog niet geassocieerd hebben met de vernietiging van mensenlevens op industriële schaal. Hoe dan ook, haar acties haalden niets uit. De woorden “Theresienstadtanfrag is nicht möglich” zijn duidelijk te lezen achterop de persoonskaart.

(Persoonskaart Edith Israëls in Westerbork, foto Joodse Cartotheek Arolson archieven)
Op 13 juli 1943 vertrokken Edith Israëls-Arons, Loek Israëls-Nathans, Pietje Israëls en Simon Nathans naar Sobibór en werden direct na aankomst vermoord.
Schuldgevoel
Sybren van Tuinen had Edith Israëls meerdere keren aangeboden om naar Friesland te komen, waar zij een betere kans had gehad de oorlog te overleven. Edith wilde echter haar ouders niet in de steek laten. Sybren van Tuinen had tot aan zijn dood een schuldgevoel en bleef zich afvragen of hij wel genoeg had gedaan om Edith Israëls en haar kinderen te redden.
mei 2026
Over de auteur
Simcha Looijen werkt aan een boek over het Joods Jongenshuis in Arnhem. Dit artikel is gebaseerd op onderzoek voor dit boek.
Bronnen
Jan van Baar, de familie Drukker en de tragiek van Joods Alkmaar, Alkmaarse Historische Publicaties, 2021
Joodsmonument.nl
https://rheiderland.vvn-bda-niedersachsen.de/
de archieven van Yad Vashem en Arolsen
krantenarchief Delpher.nl
Margo Klijn, de Stille Slag. Joodse Arnhemmers 1933-1945, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014
Verwijzing
Zie ook op deze site het verhaal van Klaas Korver: 'De ontruiming van het Joods kindertehuis, het verhaal van mijn moeder'.
Op de persoonlijke pagina's van deze site (rubriek 'namen') wordt verwezen naar dit verhaal. Ook is er extra informatie te vinden over:
Moritz Israel Arons; Leah Sara Arons-Rosenberg; Edith Sara Israëls-Arons; Lore Louise Nathans-Israëls; Simon Nathans; Louis Meinhard Peter Israëls; Abraham Boers en Leentje Boers-Nathans.
Verhalen →
Simcha Looijen
Een eerdere versie van dit artikel verscheen in november 2022 op deze site. Naar aanleiding van dit artikel nam Piter van Tuinen in december 2025 contact op met Joods Monument Arnhem. Zijn vader Sybren van Tuinen (1913-1993) was tijdens de mobilisatietijd als luitenant van een Friese compagnie gedetacheerd in Alkmaar. Hij was toen ingekwartierd bij Edith Israëls en erg gesteld op haar en Pietje. Dochter Loek verbleef toen elders. Na zijn terugkeer naar Friesland bleef Van Tuinen contact houden met Edith Israëls, tot het moment dat het gezin vertrok naar Kamp Vught. De inhoud van de brieven is verwerkt in een nieuwe versie van dit artikel.
De Joodse Arnold Israëls (1891) woonde met zijn vrouw Edith (1901) en twee kinderen, Loek (1925) en Pietje (1928), in het Duitse plaatsje Weener. Hemelsbreed lag Weener slechts tien kilometer van de Nederlandse grens ter hoogte van de provincie Groningen. Israëls was actief voor de SPD en een fervent tegenstander van de nazi's. Dit was voor hem reden om na de machtsovername door de nationaalsocialisten begin 1933 uit te wijken naar Nederland. Zijn vrouw vroeg toestemming aan de autoriteiten om haar man achterna te reizen, maar dit werd haar geweigerd. De nazi's hielden haar liever in Duitsland om op die manier haar man onder controle te kunnen houden. In september 1934 bereikte Edith Israëls alsnog Nederland, samen met haar beide kinderen.
Alkmaar
Het gezin vestigde zich aan de Heilooërdijk en later Rippingstraat 42, beide in Alkmaar en had daar een aantal goede jaren. Arnold Israëls werkte voor de DEKA-melkfabriek van zijn neef Stefan de Kadt. In 1939 woonden Menno en Betty Valk een aantal maanden bij het gezin in. Menno en Betty waren de kinderen van Ediths zus Gretchen. In maart 1939 emigreerden Gretchen Valk en haar man vanuit Duitsland naar Palestina en namen Menno en Betty mee.
Herinneringen aan een vermoord kind
In de documentaire 'Herinnering aan een vermoord kind' van Willy Lindwer, gebaseerd op het boek Kinderkronieken van Guus Luijters, omschreef een oud-buurtgenoot Pietje Israëls als een fel kind: “een haantje de voorste”. Samen met een aantal andere jongeren richtte Pietje de club “Tuinieren IS Prettig” op, afgekort als TIP. De club hielp oudere mensen in de buurt met het bijhouden van de tuin. De buurtgenoot vertelde in dezelfde documentaire over de deportatie van het gezin-Israëls uit Alkmaar. Dat het menselijk geheugen niet al te betrouwbaar is blijkt maar weer, want de familie-Israëls is nooit gedeporteerd vanuit Alkmaar. 
(Pietje Israëls, foto joodsmonument.nl)
Vermist
Het leven van het gezin Israëls veranderde radicaal na de Duitse inval op 10 mei 1940. Die inval was voor Arnold Israëls reden om op de vlucht te slaan. Hij was immers bij de nazi's bekend als tegenstander van het regime.
Volgens een opmerking gemaakt in 1998 door zijn neef Menno Valk, te vinden in de archieven van Yad Vashem, zou Arnold Israëls zijn doodgeschoten toen hij de Nederlands-Belgische grens probeerde over te steken. Dat ligt in de lijn met wat Edith Israëls zelf schreef een jaar na de verdwijning van haar man: “Vaak denk ik ook wel, wie weet of hij het niet beter heeft als wij, dat hij zijn rust gevonden heeft. Zo prettig is voor ons de toekomst niet en veel staat ons misschien nog voor. Ik ben in Bergeijk geweest en heb een ontvangst bij de directeur en de zusters gehad, die onbeschrijfelijk was. Die zusters hadden alles in de kamer van mijn man nog zo staan als hij het had verlaten. Zelfs het portret van de kinderen en mij stond nog op het nachtkastje. Het was natuurlijk alles erg deprimerend voor mij, maar toch een geruststelling om zijn laatste omgeving te zien en vreemde mensen in de prettigste en respectvolste wijze over hem te horen praten”.
Op dat moment waren er volop gevechten gaande in dat deel van België. Het is niet bekend waar en wanneer precies Arnold Israëls is doodgeschoten, noch waar hij begraven ligt.
Edith Israëls moet zich vrij snel gerealiseerd hebben dat haar man niet meer terugkwam. Op 11 augustus 1940 schreef zij namelijk: “Van mijn man is nog steeds geen bericht. Het is vreselijk., maar ik wil u er maar niet meer over schrijven. De ellende is in dit geval zo persoonlijk! Wij weten met welke zware gedachten die man, een vriend van zovelen, omgekomen is zonder iemand om zich (heen, SL) te hebben, die hij of hem liefhebben”.
Ook begin 1941 bleef de onzekerheid over haar man voortduren. Op 11 januari schreef Edith: “Over mijn man heb ik natuurlijk altijd nog niets gehoord, het is vreselijk en ik wil niet verder denken, misschien-misschien!”
Weg uit Alkmaar
Edith Israëls en haar twee kinderen hadden weinig tijd om te rouwen. In september 1940 moest zij samen met Pietje weg uit Alkmaar vanwege een Duitse verordening die bepaalde dat alle niet-Nederlandse vreemdelingen weg moesten uit de kuststreek. Loek bleef nog tot november 1940 in Alkmaar, omdat kinderen tot vijftien jaar iets langer uitstel kregen. Op 2 november 1940 schreef Edith aan Sybren van Tuinen: “Zoals u aan de poststempel wel ziet, ben ik in Apeldoorn en (onleesbaar…) moesten wij op 9 september Alkmaar slechts in drie dagen verlaten, zoals alle Duitse Joden die in de kuststrook woonden. Dat was of is voor mij natuurlijk een vreselijke ramp om alles thuis te laten en liggen en binnen 3 dagen zonder geldmiddel een onderdak te vinden. Ik ben hier nu door relaties bij een dokter met Piet opgenomen sinds 11 september. Loek, die nog geen 15 is, mocht blijven en is bij vaandrig Kaas in huis tot december. Dan wordt ze 15 en moet Alkmaar ook verlaten”.
Op dat moment had Edith Israëls wel uitzicht op een baan. “Ik heb wel kans om naar Arnhem te komen als hulp in een huis met 60 Rotterdamse jongens en meisjes”. Israëls had het hierbij over het Jongenshuis. Deze groep bestond uit tieners die voor de oorlog met de kindertransporten naar Nederland waren gevlucht en in september 1940 in opvanghuizen in Den Haag en Rotterdam verbleven. Net als Israëls moesten ook zij de kuststreek verlaten. Ze vonden onderdak in Villa Marguerite, een grote villa pal achter station Arnhem. Het nieuwe onderkomen kreeg de naam Jongenshuis (aanvankelijk was het plan alleen jongens onder te brengen in Villa Marguerite).

(Amsterdamseweg vanaf de zuidzijde; van links naar rechts Villa Marguerite “het Jongenshuis” no 1-3, Villa Nova, Villa Schoonoord rond 1880 ©Gelders Archief)

(Amsterdamseweg 1-3 ligging Villa Marguerite [paars} 'het Jongenshuis', reconstructie Ad Habets)
Verhuizing naar Arnhem
Die baan in het Jongenshuis ging niet door. Wel kreeg Israëls een andere baan aangeboden in Arnhem. Ze kwam te werken in het Oude Liedentehuis, een Joods bejaardenhuis dat lag aan de Markt. Een personeelslid omschreef Edith later als “een aardige vrouw met wie je lachen kon”. Zelf schreef ze erover “Het is een Oude Liedentehuis waar ik werk. Mijn oudste baby is 82 jaar en gek op mij. U kunt niet geloven hoe leuk die oude mensen vaak zijn. Het zijn 25 geëvacueerde Joden die van de stad en gemeente Arnhem prachtig zijn opgenomen. Ik heb nu mijn werkvergunning gekregen dat naar de laatste bepalingen alles zo blijft als het is. De kinderen zijn hier in een kindertehuis (Het Jongenshuis, SL), waar 75 kinderen uit dezelfde omstandigheden zijn ondergebracht. Ze hebben het wel niet zo bijzonder goed en het is in het huis een echt vluchtelingsleven, maar ik moet toch zien door de tijd te komen, en toch ook hét liefst zonder hulp. Loek gaat naar de huishoudschool en Piet gewoon op school. (…) Loek is een erg mooi en flink meisje geworden. Ik moet ze erg in de gaten houden in de dagelijkse omgang met 50 jongens. Ze is gelukkig net als haar moeder”.

(Edith Israëls-Arons, foto Natonaal Archief)

(Oude liedentehuis Beth Mikloth Lezikno aan de Markt 5 rond 1924 [met rode stip], foto Gelders Archief)
Het Jongenshuis
Er zijn twee groepsfoto's bekend van de bewoners. Loek en Pietje staan op beide foto's. De eerste groepsfoto is gemaakt op 4 mei 1941, de tweede foto is ergens in mei of juni 1942 gemaakt. Opvallend detail: op beide foto's zitten op de onderste rij hetzelfde groepje jongens. Het gaat om Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en Pietje Israëls. Op de foto uit 1942 wordt Pietje omhelsd door Loek.
(Groepsfoto 1 Jongenshuis mei 1941, met Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en [links] Louis Meinhard Peter Israëls (1928), beter bekend als Pietje Israëls, collectie Georg Mehr)
(Groepsfoto 2 Jongenshuis late voorjaar of zomer 1942 met Kurt Rosenbaum (1927), Sigge Kalter (1931) en [omarmd door zus Loek] Louis Meinhard Peter Israëls (1928), beter bekend als Pietje Israëls, collectie Simcha Looijen)

(Lore [Loek} Israëls, foto joodsmonument.nl)
Edith woonde zelf in een huis voor Joodse vluchtelingen aan de Sweerts de Landasstraat 63. Ook Ediths ouders Moritz en Lea Arons woonden in Arnhem en wel in het Oude Liedentehuis. Zij waren in 1939 vanuit het Duitse Emden naar Nederland gevlucht. Via Alkmaar en Alphen aan de Rijn kwamen zij terecht in Arnhem.
Nieuwe liefde
Ondank de ellende van de oorlog ging het normale leven ook weer verder. Ruim een jaar na het verdwijnen van haar man lijkt er voorzichtig toch weer ruimte voor een nieuwe liefde in het leven van Edith Israëls. Zij schreef op 12 juni 1941 aan Sybren van Tuinen: “Terwijl ik met al mijn werk en zorgen te doen heb, is er een mens gekomen die erg om me geeft. Het is een collega van u, mijnheer. Ik ken hem al lang, maar zolang als mijn man er was, heeft hij nooit getracht, zijn gevoelens te uiten. U weet dat ik geen bakvis meer ben en het leven heus zo beschouw als het is, maar ik moet toch toegeven, dat die man heel erg verliefd op mij is (…) Ik weet niet hoe ik mij moet gedragen. Ik weet het heus niet. U ben de eerste met wie ik er over spreek en ik wilde zo vreselijk graag dat u mij schrijft wat ik doen moet. Ik wilde zo graag uw raad. Het zou voor mij zo veel beduiden. Zult u het doen, mijnheer? U weet hoe ik op u vertrouw. Zo, nu heb ik het eerlijk gezegd. Het is een steen op mijn hart. Het is een vreselijke situatie. Naar een kant is het heel leeg zonder mijn man, naar de andere kant is het natuurlijk geruststellend dat er iemand is die om me geeft. Schrijf u mij alstublieft terug want ik zit zo erg in de put”
Het is niet bekend om wie het precies gaat. In haar latere brieven komt het onderwerp ook niet meer terug.
Bar mitswa
In september 1941 deed Pietje Israëls zijn bar mitswa. Zijn moeder: “Piet is nog altijd dezelfde schat. Voor vier weken is hij kerkelijk aangenomen en heeft zijn bekentenis voor het Jodendom afgelegd. Hij heeft zijn zaak reuze goed gedaan. Ze hadden in het kinderhuis een echt fuifje voor hem gemaakt. De leiding heeft hem fantastisch toegesproken en iedereen (er waren 110 personen) stond onder de indruk. Alleen de vader werd natuurlijk erg gemist”.

(Brief Edith Israëls, privé collectie)
In diezelfde maand maakte Edith Israëls promotie en kreeg de leiding van het Oude Liedentehuis. Dat betekende ook een aanzienlijke salarisverhoging, waardoor de financiële noden afnamen. In haar woorden klinken op de achtergrond de toenemende anti-Joodse maatregels door: “Heb op het ogenblik veel zieken, waardoor ik al 7 weken niet uit het huis geweest ben. Eigenlijk mis ik het ook niet, want ik kan toch nergens naar toe gaan”.
Het net sluit zich
Na dit schrijven in oktober 1941 is de volgende bewaard gebleven brief van Edith Israëls pas weer van 1 december 1942. In dat jaar gebeurde veel. Het net rond de Joden sloot zich steeds verder Sinds mei moesten Joden een ster dragen; vanaf juli vertrokken vanuit Westerbork de eerste deportatietreinen naar het oosten. In Arnhem vond in november de eerste grote razzia plaats. Tegen die achtergrond schrijft Israëls: “Ik was vanochtend erg blij met uw brief, mijnheer. Zoiets doet je goed en je hebt weer eens het gevoel dat je in alle narigheid nog een hou-vast aan je vrienden hebt. (…) Gisteren heb ik erg aardige visite gehad van familie Schurmann. Ik vond het reuzeleuk, alleen was de boodschap die zij mij brachten minder, want zij vertelden mij, dat ze mijn gehele huis leeg gehaald hebben en er al weer nieuwe mensen wonen. Het is natuurlijk verschrikkelijk jammer dat nu alles weg is, maar je vreest iedere dag zo om je leven dat al het andere op de achtergrond geraakt is. (…) Uw brief was zo prachtig. Ik heb hem aan mijn ouders – alle twee zijn door de dagelijkse opwindingen erg down – voorgelezen. Wat was het toch een leuke tijd toen u bij ons was. Wij hadden toen nog niet die ontzettende angst en moesten nog niet denken, liggen we morgenochtend nog in ons eigen bed”.
Doorgangsziekenhuis
Precies tien dagen nadat Edith Israëls dit schreef vond in Arnhem de tweede grote razzia plaats. Het Jongenshuis werd ook ontruimd en kreeg daarna de status van doorgangsziekenhuis, annex verzorgingstehuis. In het huis werden voornamelijk Joodse oude dagen opgevangen die nog niet gedeporteerd waren, maar die ook niet meer thuis konden wonen omdat te veel mensen om hen heen die een zorgtaak konden verrichten inmiddels wel gedeporteerd waren. Het grootste deel van het personeel van het Jongenshuis en een aantal jongeren, waaronder Loek en Pietje Israëls, bleven achter in Arnhem. Ook Edith Israëls kwam in het huis aan de Amsterdamseweg wonen. Het Oudeliedenhuis op Markt 5 werd op hetzelfde moment als het Jongenshuis ontruimd. De bewoners gingen naar Westerbork, terwijl de meeste personeelsleden in het doorgangsziekenhuis terecht kwamen.
In januari 1943 was het lot het gezin-Israëls wederom niet goed gezind. Ediths vader Moritz Arons overleed in Westerbork. Edith plaatste namens de familie een rouwadvertentie in het Joods Weekblad. Een maand later werd haar moeder Lea gedeporteerd naar Auschwitz, waar ze rechtstreeks de gang naar de gaskamer maakte.

(Rouwadvertentie, Joods Weekblad, 15 januari 1943)
Verhuisbericht
Op 30 maart 1943 volgt nog een laatste korte brief aan Sybren van Tuinen waarin Edith vraagt of hij twee regenjassen naar haar wil opsturen en wel met spoed. “Wat naar de laatste bepalingen voor ons volgt, heeft u wel gelezen”. Het doorgangsziekenhuis zou namelijk worden ontruimd en alle bewoners overgebracht worden naar Westerbork en Vught. Dit gebeurde een week later. Op 8 april geeft Edith haar allerlaatste levensteken af richting Sybren van Tuinen: een verhuisbericht. Bij het nieuwe adres staan alleen de woorden “Kamp Vught”. 
(Verhuisbericht naar Vught van Edith, Loek en Piet)
In de middag van 9 april vertrekken Edith, Loek en Pietje naar Vught. Loek wordt vergezeld door haar kersverse echtgenote Simon Nathans. Die ochtend trad Loek met de elf jaar oudere Arnhemmer in het huwelijk. Nathans was eerder huisknecht in het Oude Liedentehuis en na de ontruiming daarvan meegekomen naar het doorgangsziekenhuis.
Het einde
Hun wittebroodsweken brengt het stel door in Kamp Vught. Door getuigenissen van Joodse gevangen die daar in dezelfde periode vastzaten is bekend dat kampgevangenen het zeer zwaar hadden en afgebeuld werden. Na drie maanden werd het gezin-Israëls, inclusief Simon Nathans, overgebracht naar Westerbork. Een aantal aantekeningen op de achterkant van Edith Israëls persoonskaart doet vermoeden dat zij nog verschillende contacten heeft ingeschakeld om deportatie naar Polen te voorkomen. Kampen als Bergen-Belsen en Theresienstadt hadden een betere reputatie dan de concentratiekampen in Polen, ook al zullen de meeste mensen deze kampen nog niet geassocieerd hebben met de vernietiging van mensenlevens op industriële schaal. Hoe dan ook, haar acties haalden niets uit. De woorden “Theresienstadtanfrag is nicht möglich” zijn duidelijk te lezen achterop de persoonskaart.

(Persoonskaart Edith Israëls in Westerbork, foto Joodse Cartotheek Arolson archieven)
Op 13 juli 1943 vertrokken Edith Israëls-Arons, Loek Israëls-Nathans, Pietje Israëls en Simon Nathans naar Sobibór en werden direct na aankomst vermoord.
Schuldgevoel
Sybren van Tuinen had Edith Israëls meerdere keren aangeboden om naar Friesland te komen, waar zij een betere kans had gehad de oorlog te overleven. Edith wilde echter haar ouders niet in de steek laten. Sybren van Tuinen had tot aan zijn dood een schuldgevoel en bleef zich afvragen of hij wel genoeg had gedaan om Edith Israëls en haar kinderen te redden.
mei 2026
Over de auteur
Simcha Looijen werkt aan een boek over het Joods Jongenshuis in Arnhem. Dit artikel is gebaseerd op onderzoek voor dit boek.
Bronnen
Jan van Baar, de familie Drukker en de tragiek van Joods Alkmaar, Alkmaarse Historische Publicaties, 2021
Joodsmonument.nl
https://rheiderland.vvn-bda-niedersachsen.de/
de archieven van Yad Vashem en Arolsen
krantenarchief Delpher.nl
Margo Klijn, de Stille Slag. Joodse Arnhemmers 1933-1945, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014
Verwijzing
Zie ook op deze site het verhaal van Klaas Korver: 'De ontruiming van het Joods kindertehuis, het verhaal van mijn moeder'.
Op de persoonlijke pagina's van deze site (rubriek 'namen') wordt verwezen naar dit verhaal. Ook is er extra informatie te vinden over:
Moritz Israel Arons; Leah Sara Arons-Rosenberg; Edith Sara Israëls-Arons; Lore Louise Nathans-Israëls; Simon Nathans; Louis Meinhard Peter Israëls; Abraham Boers en Leentje Boers-Nathans.