menu  

Joods Monument Arnhem
Joods Monument Arnhem

 

 

 

 

De lotgevallen van Berend en Sophia Cohen-Zwartz van Breitnerstraat 18

Jans Askes

 

Dit verhaal gaat over de familie Cohen-Zwartz met hun apotheek in het centrum van Arnhem. Later verhuist de familie naar de Hoogkamp. Voor de meeste familieleden loopt de oorlog fataal af. Het verhaal eindigt met de 14- en 12-daagse treinreis van de beide (schoon)moeders vanuit het kamp Bergen-Belsen. De ene reis strandt tussen Berlijn en Dresden, de andere reis eindigt in Palestina.  

 

Berend Cohen, apotheker
Berend Cohen wordt in 1880 in Leeuwarden geboren als zoon van koopman Izak Cohen en Margaretha de Jong. In 1909 vestigt hij zich als apotheker aan de Bakkerstraat te Arnhem. In 1913 trouwt hij in Oldenzaal met de daar in 1887 geboren en wonende Sophia Dorothea (Sophia) Zwartz. Zij is de dochter van fabrikant Izak Zwarz en Regina Plaat. Ze krijgen drie kinderen: Margaretha Henriette (1914), Isak Herman (1916) en Henri Wolfram (1921).
Het stel woont boven de apotheek. In 1920 verhuizen ze naar Koningstraat 16 met de apotheek op nr. 15a. Berend overlijdt in 1932. De apotheek blijft wel in eigendom. In 1939 wordt de apotheek verkocht en verhuist de familie naar een ruime hoekwoning op Jan Vethstraat 2.


(Jan Vethstraat 2, foto Jans Askes)

 
Jan Vethstraat 2
Wordt het pand later door de Duitsers in beslaggenomen? Het zou een verklaring zijn voor de  verhuizing van de familie in het najaar van 1942 naar een naburige woning op Breitnerstraat 18. Ook een hoekwoning, maar wel iets krapper. Daar trekken ze in bij het joodse echtpaar Nathan en Berta Gimpel. 

Berend Cohen maakte zich verdienstelijk in de joodse gemeenschap, zoals - na zijn overlijden in 1932 - blijkt uit de waarderende woorden van het bestuur van de Joodse Gemeente in een artikel in het Nieuw  Israelietisch Weekblad van 20 mei 1932. Enigszins samengevat:  

'Naast het voorzitterschap van de Joodse Gemeente bekleedde de heer Cohen meerdere functies in de Joodse gemeenschap. Nadat hij enkele jaren lid was van de kerkenraad viel meteen de keus op hem om voorzitter te worden toen die plaats open viel. Op tactische en correcte wijze leidde hij een paar jaar de Gemeente. Ondanks zijn drukke zaak gaf hij hiervoor zijn gehele persoon. In korte tijd werkte hij zich in de zaken van de Gemeente in en er werd dan ook geen onderwerp behandeld of de heer Cohen was op de hoogte. Als voorzitter van het Israelietisch Tehuis voor Oudelieden is onder zijn leiding deze instelling up to date gebracht tot een model-inrichting in den lande. 
In tal van andere verenigingen en corporaties was de heer Cohen een ijverig bestuurslid. De laatste tijd ging zijn gezondheid achteruit en zag hij zich genoodzaakt verschillende functies neer te leggen zoals het voorzitterschap van de Gemeente. Het artikel werd afgesloten met de woorden: “Zijn echtgenoote en kinderen verliezen een trouw en liefdevolle man en vader, de Gemeente een waardig lid. Moge de heer in betere gewesten zijn loon vinden'
.

 

De Oranje-Apotheek 
Berend Cohen begon in de loop van 1909 als apotheker op Bakkerstaat 68a in Arnhem. De apotheek krijgt de naam Oranje-apotheek. In 1920 verhuist de apotheek naar Koningstraat 15a. De zaken gaan goed en eind 1920 wordt Renske Eisinga als apothekersassistente aangenomen. In 1922 wordt het pand Koningstraat 16b toegevoegd aan het bedrijf.


(Advertentie in de AC van 28-04-1928)

 

Heel opmerkelijk adverteert de apotheek in de jaren 1927 en 1928 veelvuldig in de Arnhemsche Courant met het gratis boek “Pastoor Heumann’s Geneesmiddelen” met tips tegen tientallen kwalen, van aambeien t/m zwakte van het geheugen. Is hier sprake van filantropie en/of hoopt men de verkoop te stimuleren? Berend overlijdt plotseling op 17 mei 1932. Zijn vrouw wordt eigenaresse van de apotheek.

(Overlijdensbericht AC van 17 mei 1932)


(Overlijdensbericht AC van 18 mei 1932) 


(Melding in de AC van 27-05-1933)


Dhr. Cohen was een gewaardeerd werkgever, zoals de rouwadvertentie van zijn assistenten laten zien. Die conclusie valt ook te trekken uit de latere aankondiging van het 12½ jarig jubileum van zijn assistente Renske Eisinga.
In 1939 stopt de 52-jarige mevrouw Cohen met de apotheek. Hoewel de oudste zoon Isak Herman farmacie studeerde en dochter Margaretha apothekersassistente was, was er kennelijk toch geen zicht op opvolging. De Arnhemsche Courant van 13 mei 1939 meldt dat het bedrijf is overgedaan aan A. de Vries. De familie verhuist naar de Jan Vethstraat 2 op de Hoogkamp. 

Zoon Isak Herman Cohen op transport 
Isak Herman Cohen studeerde van 1934 tot en met 1938 farmacie aan de Universiteit van Amsterdam. Ondanks zijn studie stapt hij niet in de apotheek aan de Koningstraat. Hij gaat zich bekwamen tot  landbouwer, mogelijk bij de Palestina-pioniers in Elden en bereidt hij zich voor op een bestaan in Palestina. 

(Centraal blad voor Israëlieten in Nederland,  27-04-1939)

Isak krijgt een relatie met de in 1918 geboren Amsterdamse Mia Else Mendelson. In april 1939 gaan ze in ondertrouw. Ruim een jaar later trouwen ze op 5 juni 1940 in Amsterdam.  Isak verhuist van Arnhem naar Amsterdam.  Op 7 april 1942 doet hij, landbouwer en wonend op Pretoriusstraat 81, aangifte van diefstal van zijn fiets bij het politiebureau aan de Stadhouderskade. Eind mei 1942 verhuizen ze naar Transvaalplein 21-I.  


(Politiebericht 7 april 1942)

Op 7 november 1942 wordt hij gedetineerd in Westerbork en drie dagen later gaat hij op transport naar Auschwitz. Daar aangekomen wordt hij geselecteerd voor dwangarbeid. In de eerste helft van 1944 vindt hij de dood in één van de werkkampen ergens in Midden-Europa. Mia redt het ook niet, wordt ook opgepakt, vastgehouden in Westerbork en op 20 juli 1943 op de trein gezet naar Sobibor, waar ze na aankomst meteen doorgaat naar de gaskamers.  

Dochter Margaretha Henriette Cohen op transport
Na de machtsovername door Hitler besluit Siegfried Bloemendal, geboren in Winschoten, Duitsland te ontvluchten. Op 3 november 1933 vertrekt het gezin met de zoons Manfred en Josef vanuit hun woonplaats Bad Kissingen naar Nederland. Waarschijnlijk gaan ze naar Haarlem. Eind 1940 of begin 1941 verhuizen de ouders met de jongste zoon Josef naar Arnhem, waar ze zich vestigen op Driekoningendwarsstraat 87. De oudste zoon Manfred  (1907) was reclametekenaar. Behalve tekenaar was Manfred ook werkzaam bij de Lucht Beschermings Dienst. Maar per 1 oktober 1940 werd hij ontslagen als gevolg van de eerste maatregel van de bezetter tegen de joden. Hij had daarvoor al een relatie gekregen  met Margaretha Cohen en was al vóór 2 oktober 1940 verhuisd naar de Jan Vethstraat. Eind oktober 1940 verloven ze zich en ze trouwen in de zomer van 1941.  

(Arnhemsche Courant van 26-10-1940)  

(Joodsche Weekblad op 14-08-1942) 


Bij Manfred en Margaretha staat op de persoonskaart van de Joodsche Raad dat ze de “Albersheimverklaring” hebben ondertekend. Hiermee gaven ze aan dat ze graag in aanmerking kwamen voor emigratie naar Palestina. Voor Manfred en Margaretha heeft dat echter niet mogen baten. Bij de grote razzia van 10 op 11 december 1942 worden ze samen met hun huisgenoten Gimpel opgepakt en afgevoerd naar kamp Westerbork. Op 16 november 1943 gaan Manfred en Margaretha op transport naar Auschwitz. Zij gaat bij aankomst linea recta de gaskamers in, hij werkt zich er gedurende een aantal maanden letterlijk dood. 
Aan de Breitnerstraat 18 zijn in 2024 struikelstenen geplaatst voor Manfred en Margaretha.  

Zoon Henri Wolfram Cohen vlucht naar Zwitserland
De jongste zoon Henri is loodgieter. In de weekenden is hij te vinden bij de Palestina-pioniers in Elden. Daar ontmoet hij Thea Lindenberg en ze worden een stel. In het Joodsche Weekblad van 20-03-1942 wordt hun verloving aangekondigd: 
(verlovingsbericht in het Joodsche Weekblad van 20-03-1942)

Thea woont dan met haar moeder op De Wetstraat 4, waar ze sinds het begin van de oorlog bij de joodse familie Weichelbaum onderdak hadden gekregen.    
Volgens de huwelijksakte trouwt Henri Wolfram Cohen op 1 mei 1942 met: 

“Lindenberg, Thea, oud achttien jaren, zonder beroep, geboren te Berlijn in Duitschland, wonende te Arnhem, Poolsche minderjarige dochter van Lindenberg, Gabriel, koopman, wiens woon- of verblijfplaats onbekend is, weshalve hij in de onmogelijkheid geacht moet worden zijn wil ten opzichte van dit huwelijk te verklaren en van Scharfstein, Basie, oud vijfenveertig jaren, zonder beroep, wonende te Arnhem“.

Thea’s ouders zijn beiden geboren in Galicië, een landstreek in het zuidwesten van het huidige Oekraïne. Tussen de beide wereldoorlogen was het Pools gebied. De ouders en daarmee ook Thea hadden daarom de Poolse nationaliteit. De familie woonde in Berlijn waar vader Lindenberg een week voor de Kristallnacht werd opgepakt door de nazi’s. Hij zou zijn gezin nooit weer terugzien. Moeder Lindenberg besluit met haar twee kinderen te vluchten en eind 1938 komen ze aan in Nederland. Moeder Lindenberg bereikt op wonderbaarlijke wijze al tijdens de oorlog Palestina (zie einde artikel). Henri en Thea vluchten in augustus naar Zwitserland en komen daar behouden aan. Henri overlijdt in juni 1944 aan hypatitus. Na de oorlog reist Thea af naar Palestina. 

Moeder Sophia Dorothea Cohen-Zwartz op transport
Wat gebeurt er met moeder Cohen? In de loop van de oorlog krijgen de joden in de gaten dat een Latijns-Amerikaanse nationaliteit hen een zekere onschendbaarheid biedt. De Duitsers willen nu eenmaal geen gedoe met vreemde mogendheden, waarmee ze niet in oorlog zijn. Sommige joden kopen een paspoort via betrekkingen in het buitenland. Maar ook in Nederland worden officiële documenten gemaakt. Zo weet ook moeder Cohen een Salvadoraans paspoort te bemachtigen zoals blijkt uit de teksten  “GENERAL DE El SALVADOR” en “(RE)PUBLICA SALVOD(OR)” op bijgaande foto.


(foto in haar Salvadoraans paspoort)


Zij overleefde de razzia van 10 december 1942. Was dat dank zij Salvadoraans paspoort of was ze toevallig niet thuis? Ze besluit onder te duiken en terecht. Want al in februari 1943 verzoekt de Hoofdcommissaris van politie te Arnhem “opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Sophia Dorothea Cohen-Zwartz, wonende in de Breitnerstraat 18 te Arnhem. Zij had zonder de vereiste vergunning haar woonplaats verlaten.”
Waarschijnlijk zit ze dan ondergedoken op Wiltstraat 64 in de Arnhemse wijk Sint Marten. Het is echter geen veilige haven want ze wordt ontdekt, op 11 februari 1944 naar Westerbork gebracht en vier dagen op de trein gezet naar het kamp Bergen-Belsen. In maart 1945 komen de Britten steeds dichter bij Bergen-Belsen. Berlijn besluit om 7000 Joodse gevangenen als ruiljoden naar Theresiënstadt (Tsjechië) te verplaatsen. Moeder Cohen krijgt op 10 april een plaats in de laatste trein, ook wel “de verloren trein” of “het verloren transport” genoemd, verloren omdat men later lange tijd niet wist waar die trein gebleven was. Na een bizarre, hongerige en dorstige tocht van bijna twee weken wordt de trein bij Tröbitz, een dorp tussen Berlijn en Dresden, op 23 april door het Rode leger bevrijd. Honderden zijn onderweg al bezweken aan de heersende typhus en werden naast de spoorlijn begraven. Nog meer mensen bezweken na aankomst. Moeder Cohen overlijdt twee dagen na de bevrijding aan de ontberingen. Zij krijgt een graf op de speciaal daarvoor ingerichte joodse begraafplaats in Tröbitz. 

(Kaart met het “verloren transport”. De nummers bij de plaatsen geven de passeerdata aan)


Moeder Basie Lindenberg naar Palestina 
Tot slot de moeder van Thea LIndenberg, Basie Lindenberg-Scharfstein. Zij dook onder en kwam desondanks op een zeker moment terecht in  het Joods doorgangsziekenhuis op Amsterdamseweg 1-3.  Op 7 april 1943 wordt het ziekenhuis ontruimd en worden de patiënten naar kamp Westerbork gebracht. Moeder Lindenberg lijkt een bevoorrechte positie te hebben, want ze wordt niet afgevoerd naar Auschwitz. Na bijna tien maanden, op 1 februari 1944 wordt ze op de trein gezet naar Bergen-Belsen. Ze boft. In de loop van 1943 vonden er besprekingen plaats tussen Berlijn en Palestina om de daar vastgehouden Duitsers te ruilen tegen Joden. Half april 1944 krijgen in Bergen-Belsen zo’n 1100 Joodse gevangen het Palestina-certificaat. Op 25 april krijgen hiervan 275 kandidaten te horen dat ze mogen vertrekken. Moeder Lindenberg behoort weer tot de gelukkigen. Ze worden van de andere gevangenen afgescheiden, van het zware werk vrijgesteld en met onwaarschijnlijke beleefdheid behandeld. Maar na zeven weken moet ieder toch weer terug naar het gewone kamp en aan het werk. Wel moeten zij hun bagage gereed houden voor een eventueel plotseling vertrek. Sommigen sterven en anderen nemen hun plek in. Maar dan komt op 29 juni het sein tot vertrek. Iedereen wordt onderzocht en naar het station gebracht, waar een personentrein met slaapwagons en restauratiewerktuigen te wachten staat. De Joodse “gevangenen” worden goed behandeld. De reis gaat via  Neurenberg en Passau naar Wenen. Hier worden ze ingeënt en de trein gaat weer verder. Via Boedapest, Belgrado, Sofia en Istanboel komen ze  na 12 dagen op 10 juli 1944 in Haifa aan. Dochter Thea overleeft in Zwitserland en reist na de oorlog naar Palestina af.

 

augustus 2025
 

 

Verwijzing
De volgende verhalen op site van joodsmonumentarnhem.nl vullen dit verhaal aan:  

Joods Monument Arnhem - Verhalen - Geschiedenis van de Oranje apotheek in Arnhem
Joods Monument Arnhem - Verhalen - De vlucht van Henri en Thea Cohen-Lindenberg
Joods Monument Arnhem - Verhalen - De familie Gimpel van de Hoogkamp
Joods Monument Arnhem - Namen -    de families Bloemendal Driekoningendwarsstraat 87


De levensgeschiedenis van Sophia Dorothea Cohen-Zwartz staat ook beschreven op de site van:

Sint Marten Sonsbeek – wijksite van Sint Marten en Sonsbeekkwartier. Zij zat op Wiltstraat 64 ondergedoken. Helaas werkt de link op de wijksite naar het digitale Joods wijkmonument momenteel niet (2024-2025).

 

Bronnen

www.joodsmonument.nl

www.wiewaswie.nl

“De stille slag”, van Margo Klijn

www.oorlogsbronnen.nl

www.bundesarchiv.de/gedenkbuch

www.Delpher.nl

Verhalen

De lotgevallen van Berend en Sophia Cohen-Zwartz van Breitnerstraat 18

Jans Askes

 

Dit verhaal gaat over de familie Cohen-Zwartz met hun apotheek in het centrum van Arnhem. Later verhuist de familie naar de Hoogkamp. Voor de meeste familieleden loopt de oorlog fataal af. Het verhaal eindigt met de 14- en 12-daagse treinreis van de beide (schoon)moeders vanuit het kamp Bergen-Belsen. De ene reis strandt tussen Berlijn en Dresden, de andere reis eindigt in Palestina.  

 

Berend Cohen, apotheker
Berend Cohen wordt in 1880 in Leeuwarden geboren als zoon van koopman Izak Cohen en Margaretha de Jong. In 1909 vestigt hij zich als apotheker aan de Bakkerstraat te Arnhem. In 1913 trouwt hij in Oldenzaal met de daar in 1887 geboren en wonende Sophia Dorothea (Sophia) Zwartz. Zij is de dochter van fabrikant Izak Zwarz en Regina Plaat. Ze krijgen drie kinderen: Margaretha Henriette (1914), Isak Herman (1916) en Henri Wolfram (1921).
Het stel woont boven de apotheek. In 1920 verhuizen ze naar Koningstraat 16 met de apotheek op nr. 15a. Berend overlijdt in 1932. De apotheek blijft wel in eigendom. In 1939 wordt de apotheek verkocht en verhuist de familie naar een ruime hoekwoning op Jan Vethstraat 2.


(Jan Vethstraat 2, foto Jans Askes)

 
Jan Vethstraat 2
Wordt het pand later door de Duitsers in beslaggenomen? Het zou een verklaring zijn voor de  verhuizing van de familie in het najaar van 1942 naar een naburige woning op Breitnerstraat 18. Ook een hoekwoning, maar wel iets krapper. Daar trekken ze in bij het joodse echtpaar Nathan en Berta Gimpel. 

Berend Cohen maakte zich verdienstelijk in de joodse gemeenschap, zoals - na zijn overlijden in 1932 - blijkt uit de waarderende woorden van het bestuur van de Joodse Gemeente in een artikel in het Nieuw  Israelietisch Weekblad van 20 mei 1932. Enigszins samengevat:  

'Naast het voorzitterschap van de Joodse Gemeente bekleedde de heer Cohen meerdere functies in de Joodse gemeenschap. Nadat hij enkele jaren lid was van de kerkenraad viel meteen de keus op hem om voorzitter te worden toen die plaats open viel. Op tactische en correcte wijze leidde hij een paar jaar de Gemeente. Ondanks zijn drukke zaak gaf hij hiervoor zijn gehele persoon. In korte tijd werkte hij zich in de zaken van de Gemeente in en er werd dan ook geen onderwerp behandeld of de heer Cohen was op de hoogte. Als voorzitter van het Israelietisch Tehuis voor Oudelieden is onder zijn leiding deze instelling up to date gebracht tot een model-inrichting in den lande. 
In tal van andere verenigingen en corporaties was de heer Cohen een ijverig bestuurslid. De laatste tijd ging zijn gezondheid achteruit en zag hij zich genoodzaakt verschillende functies neer te leggen zoals het voorzitterschap van de Gemeente. Het artikel werd afgesloten met de woorden: “Zijn echtgenoote en kinderen verliezen een trouw en liefdevolle man en vader, de Gemeente een waardig lid. Moge de heer in betere gewesten zijn loon vinden'
.

 

De Oranje-Apotheek 
Berend Cohen begon in de loop van 1909 als apotheker op Bakkerstaat 68a in Arnhem. De apotheek krijgt de naam Oranje-apotheek. In 1920 verhuist de apotheek naar Koningstraat 15a. De zaken gaan goed en eind 1920 wordt Renske Eisinga als apothekersassistente aangenomen. In 1922 wordt het pand Koningstraat 16b toegevoegd aan het bedrijf.


(Advertentie in de AC van 28-04-1928)

 

Heel opmerkelijk adverteert de apotheek in de jaren 1927 en 1928 veelvuldig in de Arnhemsche Courant met het gratis boek “Pastoor Heumann’s Geneesmiddelen” met tips tegen tientallen kwalen, van aambeien t/m zwakte van het geheugen. Is hier sprake van filantropie en/of hoopt men de verkoop te stimuleren? Berend overlijdt plotseling op 17 mei 1932. Zijn vrouw wordt eigenaresse van de apotheek.

(Overlijdensbericht AC van 17 mei 1932)


(Overlijdensbericht AC van 18 mei 1932) 


(Melding in de AC van 27-05-1933)


Dhr. Cohen was een gewaardeerd werkgever, zoals de rouwadvertentie van zijn assistenten laten zien. Die conclusie valt ook te trekken uit de latere aankondiging van het 12½ jarig jubileum van zijn assistente Renske Eisinga.
In 1939 stopt de 52-jarige mevrouw Cohen met de apotheek. Hoewel de oudste zoon Isak Herman farmacie studeerde en dochter Margaretha apothekersassistente was, was er kennelijk toch geen zicht op opvolging. De Arnhemsche Courant van 13 mei 1939 meldt dat het bedrijf is overgedaan aan A. de Vries. De familie verhuist naar de Jan Vethstraat 2 op de Hoogkamp. 

Zoon Isak Herman Cohen op transport 
Isak Herman Cohen studeerde van 1934 tot en met 1938 farmacie aan de Universiteit van Amsterdam. Ondanks zijn studie stapt hij niet in de apotheek aan de Koningstraat. Hij gaat zich bekwamen tot  landbouwer, mogelijk bij de Palestina-pioniers in Elden en bereidt hij zich voor op een bestaan in Palestina. 

(Centraal blad voor Israëlieten in Nederland,  27-04-1939)

Isak krijgt een relatie met de in 1918 geboren Amsterdamse Mia Else Mendelson. In april 1939 gaan ze in ondertrouw. Ruim een jaar later trouwen ze op 5 juni 1940 in Amsterdam.  Isak verhuist van Arnhem naar Amsterdam.  Op 7 april 1942 doet hij, landbouwer en wonend op Pretoriusstraat 81, aangifte van diefstal van zijn fiets bij het politiebureau aan de Stadhouderskade. Eind mei 1942 verhuizen ze naar Transvaalplein 21-I.  


(Politiebericht 7 april 1942)

Op 7 november 1942 wordt hij gedetineerd in Westerbork en drie dagen later gaat hij op transport naar Auschwitz. Daar aangekomen wordt hij geselecteerd voor dwangarbeid. In de eerste helft van 1944 vindt hij de dood in één van de werkkampen ergens in Midden-Europa. Mia redt het ook niet, wordt ook opgepakt, vastgehouden in Westerbork en op 20 juli 1943 op de trein gezet naar Sobibor, waar ze na aankomst meteen doorgaat naar de gaskamers.  

Dochter Margaretha Henriette Cohen op transport
Na de machtsovername door Hitler besluit Siegfried Bloemendal, geboren in Winschoten, Duitsland te ontvluchten. Op 3 november 1933 vertrekt het gezin met de zoons Manfred en Josef vanuit hun woonplaats Bad Kissingen naar Nederland. Waarschijnlijk gaan ze naar Haarlem. Eind 1940 of begin 1941 verhuizen de ouders met de jongste zoon Josef naar Arnhem, waar ze zich vestigen op Driekoningendwarsstraat 87. De oudste zoon Manfred  (1907) was reclametekenaar. Behalve tekenaar was Manfred ook werkzaam bij de Lucht Beschermings Dienst. Maar per 1 oktober 1940 werd hij ontslagen als gevolg van de eerste maatregel van de bezetter tegen de joden. Hij had daarvoor al een relatie gekregen  met Margaretha Cohen en was al vóór 2 oktober 1940 verhuisd naar de Jan Vethstraat. Eind oktober 1940 verloven ze zich en ze trouwen in de zomer van 1941.  

(Arnhemsche Courant van 26-10-1940)  

(Joodsche Weekblad op 14-08-1942) 


Bij Manfred en Margaretha staat op de persoonskaart van de Joodsche Raad dat ze de “Albersheimverklaring” hebben ondertekend. Hiermee gaven ze aan dat ze graag in aanmerking kwamen voor emigratie naar Palestina. Voor Manfred en Margaretha heeft dat echter niet mogen baten. Bij de grote razzia van 10 op 11 december 1942 worden ze samen met hun huisgenoten Gimpel opgepakt en afgevoerd naar kamp Westerbork. Op 16 november 1943 gaan Manfred en Margaretha op transport naar Auschwitz. Zij gaat bij aankomst linea recta de gaskamers in, hij werkt zich er gedurende een aantal maanden letterlijk dood. 
Aan de Breitnerstraat 18 zijn in 2024 struikelstenen geplaatst voor Manfred en Margaretha.  

Zoon Henri Wolfram Cohen vlucht naar Zwitserland
De jongste zoon Henri is loodgieter. In de weekenden is hij te vinden bij de Palestina-pioniers in Elden. Daar ontmoet hij Thea Lindenberg en ze worden een stel. In het Joodsche Weekblad van 20-03-1942 wordt hun verloving aangekondigd: 
(verlovingsbericht in het Joodsche Weekblad van 20-03-1942)

Thea woont dan met haar moeder op De Wetstraat 4, waar ze sinds het begin van de oorlog bij de joodse familie Weichelbaum onderdak hadden gekregen.    
Volgens de huwelijksakte trouwt Henri Wolfram Cohen op 1 mei 1942 met: 

“Lindenberg, Thea, oud achttien jaren, zonder beroep, geboren te Berlijn in Duitschland, wonende te Arnhem, Poolsche minderjarige dochter van Lindenberg, Gabriel, koopman, wiens woon- of verblijfplaats onbekend is, weshalve hij in de onmogelijkheid geacht moet worden zijn wil ten opzichte van dit huwelijk te verklaren en van Scharfstein, Basie, oud vijfenveertig jaren, zonder beroep, wonende te Arnhem“.

Thea’s ouders zijn beiden geboren in Galicië, een landstreek in het zuidwesten van het huidige Oekraïne. Tussen de beide wereldoorlogen was het Pools gebied. De ouders en daarmee ook Thea hadden daarom de Poolse nationaliteit. De familie woonde in Berlijn waar vader Lindenberg een week voor de Kristallnacht werd opgepakt door de nazi’s. Hij zou zijn gezin nooit weer terugzien. Moeder Lindenberg besluit met haar twee kinderen te vluchten en eind 1938 komen ze aan in Nederland. Moeder Lindenberg bereikt op wonderbaarlijke wijze al tijdens de oorlog Palestina (zie einde artikel). Henri en Thea vluchten in augustus naar Zwitserland en komen daar behouden aan. Henri overlijdt in juni 1944 aan hypatitus. Na de oorlog reist Thea af naar Palestina. 

Moeder Sophia Dorothea Cohen-Zwartz op transport
Wat gebeurt er met moeder Cohen? In de loop van de oorlog krijgen de joden in de gaten dat een Latijns-Amerikaanse nationaliteit hen een zekere onschendbaarheid biedt. De Duitsers willen nu eenmaal geen gedoe met vreemde mogendheden, waarmee ze niet in oorlog zijn. Sommige joden kopen een paspoort via betrekkingen in het buitenland. Maar ook in Nederland worden officiële documenten gemaakt. Zo weet ook moeder Cohen een Salvadoraans paspoort te bemachtigen zoals blijkt uit de teksten  “GENERAL DE El SALVADOR” en “(RE)PUBLICA SALVOD(OR)” op bijgaande foto.


(foto in haar Salvadoraans paspoort)


Zij overleefde de razzia van 10 december 1942. Was dat dank zij Salvadoraans paspoort of was ze toevallig niet thuis? Ze besluit onder te duiken en terecht. Want al in februari 1943 verzoekt de Hoofdcommissaris van politie te Arnhem “opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Sophia Dorothea Cohen-Zwartz, wonende in de Breitnerstraat 18 te Arnhem. Zij had zonder de vereiste vergunning haar woonplaats verlaten.”
Waarschijnlijk zit ze dan ondergedoken op Wiltstraat 64 in de Arnhemse wijk Sint Marten. Het is echter geen veilige haven want ze wordt ontdekt, op 11 februari 1944 naar Westerbork gebracht en vier dagen op de trein gezet naar het kamp Bergen-Belsen. In maart 1945 komen de Britten steeds dichter bij Bergen-Belsen. Berlijn besluit om 7000 Joodse gevangenen als ruiljoden naar Theresiënstadt (Tsjechië) te verplaatsen. Moeder Cohen krijgt op 10 april een plaats in de laatste trein, ook wel “de verloren trein” of “het verloren transport” genoemd, verloren omdat men later lange tijd niet wist waar die trein gebleven was. Na een bizarre, hongerige en dorstige tocht van bijna twee weken wordt de trein bij Tröbitz, een dorp tussen Berlijn en Dresden, op 23 april door het Rode leger bevrijd. Honderden zijn onderweg al bezweken aan de heersende typhus en werden naast de spoorlijn begraven. Nog meer mensen bezweken na aankomst. Moeder Cohen overlijdt twee dagen na de bevrijding aan de ontberingen. Zij krijgt een graf op de speciaal daarvoor ingerichte joodse begraafplaats in Tröbitz. 

(Kaart met het “verloren transport”. De nummers bij de plaatsen geven de passeerdata aan)


Moeder Basie Lindenberg naar Palestina 
Tot slot de moeder van Thea LIndenberg, Basie Lindenberg-Scharfstein. Zij dook onder en kwam desondanks op een zeker moment terecht in  het Joods doorgangsziekenhuis op Amsterdamseweg 1-3.  Op 7 april 1943 wordt het ziekenhuis ontruimd en worden de patiënten naar kamp Westerbork gebracht. Moeder Lindenberg lijkt een bevoorrechte positie te hebben, want ze wordt niet afgevoerd naar Auschwitz. Na bijna tien maanden, op 1 februari 1944 wordt ze op de trein gezet naar Bergen-Belsen. Ze boft. In de loop van 1943 vonden er besprekingen plaats tussen Berlijn en Palestina om de daar vastgehouden Duitsers te ruilen tegen Joden. Half april 1944 krijgen in Bergen-Belsen zo’n 1100 Joodse gevangen het Palestina-certificaat. Op 25 april krijgen hiervan 275 kandidaten te horen dat ze mogen vertrekken. Moeder Lindenberg behoort weer tot de gelukkigen. Ze worden van de andere gevangenen afgescheiden, van het zware werk vrijgesteld en met onwaarschijnlijke beleefdheid behandeld. Maar na zeven weken moet ieder toch weer terug naar het gewone kamp en aan het werk. Wel moeten zij hun bagage gereed houden voor een eventueel plotseling vertrek. Sommigen sterven en anderen nemen hun plek in. Maar dan komt op 29 juni het sein tot vertrek. Iedereen wordt onderzocht en naar het station gebracht, waar een personentrein met slaapwagons en restauratiewerktuigen te wachten staat. De Joodse “gevangenen” worden goed behandeld. De reis gaat via  Neurenberg en Passau naar Wenen. Hier worden ze ingeënt en de trein gaat weer verder. Via Boedapest, Belgrado, Sofia en Istanboel komen ze  na 12 dagen op 10 juli 1944 in Haifa aan. Dochter Thea overleeft in Zwitserland en reist na de oorlog naar Palestina af.

 

augustus 2025
 

 

Verwijzing
De volgende verhalen op site van joodsmonumentarnhem.nl vullen dit verhaal aan:  

Joods Monument Arnhem - Verhalen - Geschiedenis van de Oranje apotheek in Arnhem
Joods Monument Arnhem - Verhalen - De vlucht van Henri en Thea Cohen-Lindenberg
Joods Monument Arnhem - Verhalen - De familie Gimpel van de Hoogkamp
Joods Monument Arnhem - Namen -    de families Bloemendal Driekoningendwarsstraat 87


De levensgeschiedenis van Sophia Dorothea Cohen-Zwartz staat ook beschreven op de site van:

Sint Marten Sonsbeek – wijksite van Sint Marten en Sonsbeekkwartier. Zij zat op Wiltstraat 64 ondergedoken. Helaas werkt de link op de wijksite naar het digitale Joods wijkmonument momenteel niet (2024-2025).

 

Bronnen

www.joodsmonument.nl

www.wiewaswie.nl

“De stille slag”, van Margo Klijn

www.oorlogsbronnen.nl

www.bundesarchiv.de/gedenkbuch

www.Delpher.nl

 

Locatie Joods Monument Arnhem:
Kippenmarkt/Jonas Daniël Meijerplaats