menu  

Joods Monument Arnhem
Joods Monument Arnhem

 

 

 

 

Josef en Margaretha Bamberger van Dijkstraat 6

Peter Jetten

Anneke van Zinderen Bakker-Hovestad schreef ons over het lot van het Joodse echtpaar Bamberger-Prins van de Dijkstraat en hun baby Esther. Josef en Margaretha Bamberger doken onder, maar werden gearresteerd en begin februari 1944 op transport gezet naar Bergen Belsen. Ze bezweken in 1945 aan hun ontberingen. De kleine Esther werd in 1943 door het verzet ondergebracht in Nijmegen bij tantes van Anneke van Zinderen Bakker-Hovestad. De onderduikgevers werden verraden en gedeporteerd. An Brendel-Jansen overleed in het vrouwenkamp Ravensbrück, Esther Bamberger overleefde Theresiënstadt. 


De jonge Josef Bamberger (1917) kwam uit Frankfurt. Hij was gevlucht uit Duitsland en woonde in pension bij zijn oom en tante Joël en Esther Vredenburg-Bamberger aan het Eusebiusplein 4. Zijn oom Joël Vredenburg was opperrabbijn in Arnhem, zijn vrouw overleed in 1939. Na zijn pensioen in 1941 verhuisde hij naar Amsterdam en overleed daar in 1943. 
Josef zal toen elders in Arnhem onderdak gevonden hebben. Hij was technicus, maar waar hij werkte is niet bekend. In het familie-archief staat vermeld dat hij in Rotterdam aan het werk was tijdens het bombardement van 10 mei 1940. Op zijn persoonskaart van Westerbork staat dat hij bakker was. Vermoedelijk werkte hij bij bakker Prins, want Josef had intussen verkering gekregen met de Arnhemse bakkersdochter Margaretha Prins (1920-1945). Het gezin woonde aan de Dijkstraat 6, vader was Liepman Prins (1890-1943), moeder Cato Prins-van Aalst (1894-1943) en haar één jaar jongere broer Maurits Prins (1921). Zoals alle  Joodse Arnhemmers kregen zij te maken met de Jodenvervolging. 

(Josef Bamberger en Margaretha Prins, foto’s Digitaal Joods Monument)

7 oktober 1941, Maurits Prins ontspringt de dans
Maurits Prins ondervond dat in oktober 1941. Op 7 oktober 1941 werd de eerste razzia in Gelderland gehouden. De bezetter wilde de Joden angst aanjagen en ervoor zorgen dat ze zich vogelvrij voelden. Zeven Joodse Arnhemmers werden opgepakt, zij bezweken in Mauthausen, de laatste in november 1941 (1). Maurits Prins wist met hulp van passerende Arnhemmers de dans te ontspringen. Hij vluchtte naar een oom in Hardenberg, een broer van zijn vader en ook bakker van beroep. Na een paar weken keerde Maurits terug naar Arnhem. Vanaf dat moment sliep hij niet meer thuis, maar aan de Van de Spieghelstraat in Arnhem. Maurits bracht daar  ook boeken over het Jodendom in veiligheid.

Josef en Margaretha Bamberger: Arnhem, Amsterdam, Bergen-Belsen
Het leven ging door en op 4 augustus 1942 trouwden Josef en Margaretha in Arnhem. Ze  hadden beiden een (voorlopige) vrijstelling van deportatie (een 'Sperre'), omdat Margaretha secretaresse was bij de Joodse Raad in Arnhem en Josef technisch medewerker. Ze gingen aan de Dijkstraat 4 wonen, zegt de huwelijksaankondiging, maar op hun persoonskaart staat Dijkstraat 6, het adres van Margaretha's ouders.
(Huwelijksaankondiging Josef en Margaretha, het Joodsche Weekblad 31 juli 1942)

 
In november 1942 verhuisden Josef en Margaretha (mogelijk gedwongen) naar Amsterdam naar de Chr. De Wetstraat 2. Daar werd op 12 augustus 1943 hun dochtertje Esther geboren. Het meisje werd zo snel als mogelijk ondergebracht bij neef Benno Bamberger, die aan het Afrikaanderplein 9 woonde. Josef en Margaretha zelf doken onder, waar en hoe is onbekend. We kunnen hen weer traceren, wanneer zij begin januari 1944 in Den Haag worden gearresteerd. Op 12 januari 1944 komen zij in Westerbork aan en verblijven - uitzonderlijk - nog twee weken in de strafbarak 67, 'opgehouden' door typhus in Bergen-Belsen. Op 1 februari 1944 worden zij alsnog op transport gezet naar Bergen-Belsen. 

(Persoonskaarten Joodse Raad van Josef en Margaretha, Arolsen Archieven)

 
Broer Maurits overleeft in Arnhem
Margaretha’s broer Maurits Prins (1921-2003) had een onderduikadres in de Roemer Visscherstraat 37 in Arnhem. Daar woonde Gerard (Albertus) Goldschmidt, hoofd van de christelijke school van de Agnietenstraat in Klarendal. Maurits bleef daar de hele oorlog ondergedoken en evacueerde in de septemberdagen van 1944 'gewoon' mee met de familie, zoals meer Joodse onderduikers deden. Hij overleefde en emigreerde in 1946 naar Israël, toen nog Brits Mandaat Palestina.

September 1943, baby Esther naar Nijmegen
‘Mijn moeder Hennie Hovestad-Jansen woonde in Oosterbeek en kwam uit een groot gezin in Arnhem’, vertelt Anneke van Zinderen Bakker. ‘Twee van haar getrouwde zussen woonden met hun echtgenoten in Nijmegen, zij zaten in het verzet. Het waren Dien en Gerard van Eimeren-Jansen en An(neke) en Ep Brendel-Jansen’. An en Ep namen indertijd baby Esther Bamberger van zes weken oud in hun huis op. 

Dat kwam zo: Esther Bamberger werd op 28 september 1943 door de familie Benno Bamberger - op weg naar Westerbork - in de drukte en verwarring op station Muiderpoort 'afgegeven' aan de Arnhemse verzetsvrouw Sietske Hoekstra. Sietske was voor die gelegenheid gekleed als non. Op die manier had ze een paar weken eerder ook de zesjarige Sallo van Gelder onder haar mantel meegenomen (2). Hoewel Sietske het aanbood, wilde de familie Benno Bamberger hun zoontje  niet 'afgeven', wel baby Esther. De familie zette hun reis voort en Sietske nam Esther mee naar Arnhem. 

Ongelukkigerwijze werd Sietske's verloofde Loek Visser in september 1943 bij zijn moeder in Arnhem gearresteerd. Hij was een neef van An en Dien en zat evenals Sietkse in het verzet Arnhem-Nijmegen. Sietkse woonde in Arnhem niet ver van Loek. An, Dien en Gerard waren bij haar op bezoek toen het bericht over zijn arrestatie kwam en besloten toen om baby Esther  mee te nemen naar Nijmegen. Zij brachten haar onder bij An en Ep op het adres Haagbeukstraat 21 in Nijmegen. An's man Ep was al een tijdje 'onder de radar' in verband met verzetsactiviteiten. Hij was machinist van het Nijmeegse Sportfondsenbad. 
An en Ep noemden de baby Ineke en zorgden liefdevol voor haar. Ook An’s zus Dien en haar man Gerard van Eimeren-Jansen van de Leeuwstraat 69 droegen hun steentje bij. Sietske richtte zich intussen geheel op de bevrijdingsactie van haar verloofde Loek Visser in de Koepelgevangenis in Arnhem. De actie werd op 18 februari 1944 met succes bekroond (3). 

April 1944, het loopt mis in Nijmegen
Op 27 april 1944 loopt het mis met An, Dien en Gerard. De verzetsgroep wordt na verraad gearresteerd door de beruchte Nijmeegse politieagent A.H.(Anton) Wiebe. Hij was lid van de 'Politieke Dienst', een aparte politie-afdeling van fanatieke NSB'ers en Jodenjagers. An Brendel en de kleine Ineke (Esther) wonen op dat moment in bij Dien en Gerard van Eimeren aan de Leeuwstraat 69. An en Ep hadden namelijk hun huis aan de Haagbeukstraat beschikbaar gesteld voor dakloze Nijmegenaren na het bombardement van februari 1944. Ep Brendel was nog steeds 'onder de radar' omdat hij werd gezocht voor hulp aan aan Joden en het verzet. Hij had bijvoorbeeld tijdens de april/mei staking van 1943 het Nijmeegse Sportfondsenbad laten leeglopen, voordat Duitse soldaten er de volgende dag zouden gaan zwemmen. Ook saboteerde Ep telefoonkabels, zamelde geld in voor het verzet en verspreidde, net zoals An, de destijds illegale verzetskrant Vrij Nederland.


(Ep Brendel, collectie Jean Brendel)


Esther Bamberger: Westerbork, Theresiënstadt, London
De arrestanten An, Dien en Gerard werden overgebracht naar het Huis van Bewaring in Arnhem en vervolgens op 8 mei 1944 naar Kamp Vught. Ook Esther Bamberger kwam met An in het Huis van Bewaring. Waar Esther vanaf 8 mei tot eind juni verbleef is niet bekend, mogelijk werd zij elders in de provincie ondergebracht. Zeker is dat zij  eind juni/begin juli 1944 in Westerbork aankwam. Van daaruit ging zij met de kinderen en verzorgsters van 'het Weeshuis’  op 4 september 1944 op transport naar Theresiënstadt. 
Esther overleefde uiteindelijk het kamp dankzij (Johanna) Bella Zellermayer (1918-1967) uit Amsterdam, een bekende van de familie Bamberger en verpleegster van 'het Weeshuis' (4). Zij ontfermde zich in het kamp over Esther en adopteerde haar zelfs. Beiden overleefden en werden bevrijd op 8 mei 1945. Bij terugkomst in Nederland zorgde Bella voor Esther en hield ook contact met Maurits Prins, overlevende van de familie. Uiteindelijk werd Esther in september 1945 ondergebracht aan de Highbury Quadrant in London bij de zus en zwager van haar vader Josef Bamberger, Julie (1911) en Jonas (1901) Bondi-Bamberger.


(Johanna Bella Zellermayer met Esther Bamberger, privé collectie)

 

An, Dien en Gerard gedeporteerd, Ep duikt onder in Oosterbeek
Dien's man Gerard van Eimeren werd vanuit het Huis van Bewaring in Arnhem naar kamp Vught gebracht, waar hij in de beruchte 'Bunker' van kamp werd gezet. Vervolgens kwam hij in de gevangenis de Wolvenhoek in Utrecht terecht en van 27 juni-25 juli 1944 in kamp Amersfoort. Hij moest weer terug naar de Wolvenhoek in Utrecht, waar hij zijn definitieve 'vonnis' te horen kreeg: dwangarbeid. Hij werd naar een reeks van kampen in Duitsland gestuurd: naar Essen, Dieburg (bij Darmstadt), Birnau en in de buitencommando's Staudach/Egerndach. Hij overleefde alle kampen en overleed in 2008.
An Brendel en Dien van Eimeren kwamen na Vught in het vrouwenkamp KZ Ravensbrück terecht, waar An te werk werd gesteld in het Siemenskommando en Dien vemoedelijk in de textielateliers. An overleed in het kamp op 19 november 1944. Dien van Eimeren-Jansen had meer geluk, zij kwam vanuit Ravensbrück met het zogenaamde ‘Witte Bussen’ transport veilig in Zweden aan en keerde vandaar naar Nijmegen terug (5). Zij overleed in 2010. 

Ep Brendel (1913-1985), de man van An, had zich al die tijd onder de rader gehouden en dook uiteindelijk bij familie in Oosterbeek onder. ‘Hij liep van Nijmegen naar Oosterbeek en dook onder bij mijn ouders, de familie Hovestad-Jansen aan de van Ewijkweg 12 (nu het dubbelpand 51) in Oosterbeek’, aldus Anneke van Zinderen Bakker-Hovestad. Ep evacueerde in september 1944 met de familie Hovestad mee naar Meulunteren, een buurtschap bij Lunteren, maar was in januari 1945 al weer in Nijmegen, toen bevrijd gebied. Hoe hij uit bezet gebied wist te komen, is onbekend.

(An Brendel-Jansen, collectie Anneke van Zinderen Bakker-Hovestad)

Josef en Margaretha Bamberger: Bergen-Belsen, Tröbitz en Maastricht
Josef en Margaretha, de ouders van de kleine Esther, verbleven intussen in Bergen-Belsen. Toen de Britten oprukten besloten de Duitsers het door typhus vergeven kamp in april 1945 gedeeltelijk te ontruimen. Talloze gevangenen (60.000) bleven achter. maar zo'n 7000 werden in drie treinen richting Theresienstadt in Tjechië gezet. De laatste van de drie treinen strandde na een dwaaltocht van dertien dagen bij Tröbitz. Op 23 april 1945 vonden oprukkende troepen van het Rode Leger de stilstaande trein en bevrijdden de 2.500 uitgeputte gevangenen (6). De soldaten bekommerden zich weinig om hen.
Onder de gevangenen waren Josef en Margaretha Bamberger. Margaretha was er zo slecht aan toe dat zij op 8 juni 1945 overleed, zij werd in Tröbitz begraven. Ook Josef was totaal verzwakt door de  typhus en werd door het Franse Rode Kruis nog gerepatrieerd, maar geneeskundige hulp mocht niet meer baten. Hij overleed op vrijdag 6 juli 1945 in Maastricht aan longtuberculose, zoals op zijn kaart staat vermeld.

 

De briefjes van Josef Bamberger
Vóór zijn overlijden liet de totaal verzwakte Josef een briefje voor zijn moeder in Londen opstellen met het verzoek om voor Esther te zorgen. Zijn moeder echter was al gestorven en zo kwam het verzoek terecht bij de zus van Josef in Londen Julia Bondi-Bamberger, waar Esther in september 1945 naar toe werd gebracht. Esther Bamberger groeide er op, trouwde, kreeg kinderen en leeft als Mevrouw March-Bamberger nog altijd in Engeland. Een aantal van haar kinderen woont in Engeland, een aantal is naar Israël geëmigreerd.

Ook had Josef te kennen gegeven dat hij begraven wilde worden 'onder de hoede' van zijn oom en tante in Arnhem. Daar hebben zijn zwager Maurits Prins en neef Samuel Cohen gehoor aan kunnen gegeven, wat onder de heersende omstandigheden - Arnhem was nog een geëvacueerde stad - een hele toer geweest moet zijn. Op maandag 9 juli 1945 werd Josef op Moscowa in Arnhem begraven naast zijn oom Joëll Vredenburg en zijn tante Esther Bamberger. Op zijn persoonskaart van de Joodse Raad elders in dit artikel staat ten onrechte dat hij in Amsterdam begraven is. Op zijn graf in Arnhem staat: ...'Hij overleed op de heilige Shabbat 26 tammoez 5705 door een ziekte die hij opliep in [Bergen]-Belsen en zijn dierbare vrouw met goede eigenschappen, een bekoorlijke ree, zij stierf tijdens zijn leven op 2 5 sivan 5705 en haar graf is in Tröbitz'.


Maurits Prins emigreert naar Brits Mandaat Palestina
Overlevende Maurits Prins keerde na de oorlog via zijn oude onderduikadres bij de familie Goldschmidt aan de Roemer Visscherstraat 37 terug naar Van de Spieghelstraat in Arnhem (7). Al snel leerde hij via familie in Amsterdam Gertrud Karoline Auerbach (Hamburg 1918-Jeruzalem 2017) kennen. Het stel verloofde zich in Amsterdam. Gertrud (Trudel) was na de Kristallnacht in 1938 uit Hamburg naar Amsterdam gevlucht en werkte als kindermeisje bij de familie David Nordheim. Ze dook onder bij Jan en Grietje Troelstra in Ylst bij Sneek. Na de oorlog verkreeg zij een Palestina-certificaat via familie daar en vertrok in juni 1946 met de SS Cairo naar het Brits Mandaat Palestina. Tijdens de bootreis had zij vier kleine kinderen van de familie Nordheim onder haar hoede.

Maurits Prins vertrok een maand later - zonder certificaat - van La Ciotat (bij Marseille) naar Palestina aan boord van het illegale immigranten schip Yagur. Twaalf dagen later ankerde het schip voor de haven van Haifa, waar het werd onderschept door de Britten. De illegale passagiers werden verscheept naar kampen op Cyprus. Daar zat Maurits voor een half jaar gevangen tot hij vergunning kreeg om aan boord van de SS Ocean Vigour in december 1946 in Haifa te landen. In 1947 trouwden Getrud (Tirtsa) en Maurits (Moshe) in Jeruzalem. Het echtpaar kreeg twee zonen Eliëzer (Eliahu) en Joseph (Yossi) en een dochter Varda (8). Maurits heeft met zijn drie kinderen nooit gesproken over wat hem overkomen is in die vijf oorlogsjaren.


(Brendel-Jansenstraat, privé collectie)

 

Brendel-Jansenstraat in Nijmegen
In de Waalsprong Lent-Nijmegen (Lent/Hof van Holland) zijn 23 straten vernoemd naar leden van het Nijmeegse verzet. Ook het echtpaar Brendel werd geëerd met een straat: de Brendel-Jansenstraat. An Brendel moest haar verzetswerk met de dood bekopen (9). De beide ouders van Esther Bamberger stierven door uitputting als gevolg van de kampen. De kleine Esther zelf overleefde dankzij het verzet in Arnhem-Nijmegen en Bella Zellermayer, haar redder in Theresiënstadt.

 

februari 2026

met dank aan Anneke van Zinderen-Hovestad voor haar uitgebreide documentatie en foto's uit haar privé-collectie.


Noten
(1) https://www.joodsmonumentarnhem.nl/p/p/f.php?flexpag_id=178&rubriek_id=12

(2) Voor het verhaal van 'non' Sietske Hoekstra en Sallo van Gelder, zie Henk Vis, Sallo's ontsnapping, uitgave in eigen beheer, 2019 en https://www.christenenvoorisrael.nl/artikelen/de-joodse-sallo-werd-gered-dankzij-een-persoonsverwisseling. Zie ook de film Aangrijpend verhaal van Joods jongetje Sallo van Gelder uit Aalten met een foto van Sietske Hoekstra. 

 

(3) Sietske Hoekstra heeft vanaf dat moment alles in het werk gesteld om haar verloofde Loek Visser te bevrijden. Op 18 februari 1944 werd de ter dood veroordeelde door zijn kameraden bevrijd uit de Koepelgevangenis in Arnhem. Het huzarenstukje werd geleverd door de Nijmeegse knokploeg onder leiding van Theo Dobbe. Twee van diens mannen hadden zich voorgedaan als SD-agenten. Zij telefoneerden naar de Koepelgevangenis en kondigen aan dat gevangene nummer 601 zou worden opgehaald voor verhoor. Een telefoniste van het schakelstation in Arnhem zat in het complot. Toen de gevangenisbewaking de opdracht wilde verifiëren via een telefoontje naar het SD-kantoor, schakelde ze door naar een van de KP’ers in Velp die het bevel snauwend bevestigde. De verzetsmannen reden vervolgens in een geleende auto over spekgladde wegen naar de Koepelgevangenis en kregen Loek Visser mee. Visser was al zwaar gemarteld en kon niet geloven dat hij bevrijd was. Pas toen ze het SD-kantoor voorbijreden en hij een sigaret kreeg, begreep hij dat het waar was.
(Bron:‘Beloof me één ding: waag niet het leven van mijn jongens om mij eruit te halen. Ik houd het hier wel uit.’)
Na zijn bevrijding doken Loek en Sietske onder in Velp, later in Nijmegen bij de familie Alink (en op nog een ander onbekend adres) en tenslotte vanaf 27 april 1944 in Friesland. 
Loek Visser en Sietske Hoekstra worden genoemd in het verhaal Alijda Bachrach-Jacobs bevrijdde acht gevangenen uit Westerbork op onze site (zie noot 1 bij het verhaal). Alijda zat in de verzetsgroep van Loek Visser. 

 

(4) De Duitse Bella Johanna Zellermayer was in 1918 naar Nederland gekomen. Zij woonde in Amsterdam op vier adressen en werkte als verpleegster in het Emma kinderziekenhuis, dat aan de Sarphatistraat 104 lag. Het ziekenhuis verhuisde in 1988 naar het AMC, het werd in 2014 grotendeels afgebroken, er kwam een hotel. 
Bella werd in 1927 genaturaliseerd, zoals blijkt uit haar registratiekaart van Amsterdam. Daarop staat ook te lezen dat ze op enig moment aan de Verlengde Rijnkade 120 in Arnhem gewoond had. Dit Arnhems pand is met de huisnummers 120-124 al voor de oorlog gesloopt in verband met de bouw van de Rijnbrug in 1936. De Arnhemse adresboeken uit die tijd vermelden: 'vervallen'. Alleen huisnummer 126 bestond in de oorlog nog aan de oostzijde van de brug. In Amsterdam woonde zij van 1930 tot haar overlijden in 1967 in de Nieuwe Spiegelstraat 68 II.

(5) De Witte Bussen (in het Zweeds: Vita bussarna) was een reddingsactie van het Zweedse Rode Kruis en de Deense regering in het voorjaar van 1945 die zich primair richtte op het bevrijden van Scandinavische gevangenen uit de Duitse concentratiekampen (bron: Wikipedia)

(6) Het Verloren Transport ('Der Verlorene Zug'). Ook wel het 'Vergeten Transport' genoemd. Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Verloren_transport


(7) Herman en Geertje Prins uit Arnhem waren familie van het gezin Prins van de Dijkstraat. Ook zij kwamen uit de kampen terug. Zij waren echter niet gelovig en aten niet koosjer. Daarom ging Maurits Prins na de oorlog niet naar hen, maar naar zijn oude 'slaapadres' van de Spieghelstraat, op welk nummer is onbekend. Maurits had in de oorlog in dat huis boeken over het Jodendom in veiligheid gebracht. Het huis werd in 1944/1945 waarschijnlijk niet geplunderd. Na de oorlog heeft Maurits nog contact gehad met zijn zwager Jonas Bondi-Bamberger in Londen, want hij wist niet wat hij met de boeken moest doen (bron: Anneke van Zinderen Bakker-Hovestad)

(8) Bron: https://www.joodsmonument.nl/nl/page/662365/afbeelding-bij-maurits-prins en correspondentie met Naftaly Godesh Tal’or in maart 2026. Voor Gertrud Karoline Auerbach's verblijf in Amsterdam en Friesland, zie Mosjee Nordheim over de onderduik, Bergen-Belsen, Lion Nordheim, Sjear Jasjoew en Alijah

 

(9) Zie voor An en Ep Brendel-Jansen en haar zus Dien en Gerard Eimeren-Jansen: https://www.oorlogsdodennijmegen.nl/persoon/brendel-jansen/839c8947-c6d8-472a-a657-126701d2312c


Bronnen

Janssen, Bart, Het verdriet van Nijmegen 1940-1945, Nijmegen 2019, uitgeverij Vantilt
Klijn, Margo, De stille slag. Joodse Arnhemmers 1933-1945, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014 
Nolet, Anneke, Vrouwen en verzet. In het Rijk van Nijmegen 1940-1945, Nijmegen 2020, uitgeverij Vantilt

Jan Hof, Dubbele slag in Arnhem, de KP kraken van de Koepel en het Huis van Bewaring, VBK Media, 2004
Henk Vis, Sallo's ontsnapping, Aalten 2019,  uitgave in eigen beheer,

Karin Mulder, 'Vergeten verzetsheld formeerde knokploegen tegen de Duitsers, maar moest later zijn eigen graf graven', de Gelderlander 5 september 2024

Archiefmateriaal familie Bamberger
Herinneringscentrum Westerbork

Nederlands Instituut voor Oorlogs Documentatie (NIOD) Amsterdam 

https://www.oorloginnijmegen.nl/images/PDF/De_onderduik_Joden_die_van_elders_in_Nijmegen_onderdoken_v0300.pd


Verwijzing

Op de persoonlijke pagina's van Josef BambergerMargaretha Bamberger-Prins, 

Liepman PrinsCato Prins-van Aalst en Joël Vredenburg wordt verwezen naar dit verhaal. Alijda Bachrach-Jacobs zat ook in de verzetsgroep van Loek Visser. Lees het verhaal Alijda Bachrach-Jacobs bevrijdde acht gevangenen uit Westerbork op onze site.

Verhalen

Josef en Margaretha Bamberger van Dijkstraat 6

Peter Jetten

Anneke van Zinderen Bakker-Hovestad schreef ons over het lot van het Joodse echtpaar Bamberger-Prins van de Dijkstraat en hun baby Esther. Josef en Margaretha Bamberger doken onder, maar werden gearresteerd en begin februari 1944 op transport gezet naar Bergen Belsen. Ze bezweken in 1945 aan hun ontberingen. De kleine Esther werd in 1943 door het verzet ondergebracht in Nijmegen bij tantes van Anneke van Zinderen Bakker-Hovestad. De onderduikgevers werden verraden en gedeporteerd. An Brendel-Jansen overleed in het vrouwenkamp Ravensbrück, Esther Bamberger overleefde Theresiënstadt. 


De jonge Josef Bamberger (1917) kwam uit Frankfurt. Hij was gevlucht uit Duitsland en woonde in pension bij zijn oom en tante Joël en Esther Vredenburg-Bamberger aan het Eusebiusplein 4. Zijn oom Joël Vredenburg was opperrabbijn in Arnhem, zijn vrouw overleed in 1939. Na zijn pensioen in 1941 verhuisde hij naar Amsterdam en overleed daar in 1943. 
Josef zal toen elders in Arnhem onderdak gevonden hebben. Hij was technicus, maar waar hij werkte is niet bekend. In het familie-archief staat vermeld dat hij in Rotterdam aan het werk was tijdens het bombardement van 10 mei 1940. Op zijn persoonskaart van Westerbork staat dat hij bakker was. Vermoedelijk werkte hij bij bakker Prins, want Josef had intussen verkering gekregen met de Arnhemse bakkersdochter Margaretha Prins (1920-1945). Het gezin woonde aan de Dijkstraat 6, vader was Liepman Prins (1890-1943), moeder Cato Prins-van Aalst (1894-1943) en haar één jaar jongere broer Maurits Prins (1921). Zoals alle  Joodse Arnhemmers kregen zij te maken met de Jodenvervolging. 

(Josef Bamberger en Margaretha Prins, foto’s Digitaal Joods Monument)

7 oktober 1941, Maurits Prins ontspringt de dans
Maurits Prins ondervond dat in oktober 1941. Op 7 oktober 1941 werd de eerste razzia in Gelderland gehouden. De bezetter wilde de Joden angst aanjagen en ervoor zorgen dat ze zich vogelvrij voelden. Zeven Joodse Arnhemmers werden opgepakt, zij bezweken in Mauthausen, de laatste in november 1941 (1). Maurits Prins wist met hulp van passerende Arnhemmers de dans te ontspringen. Hij vluchtte naar een oom in Hardenberg, een broer van zijn vader en ook bakker van beroep. Na een paar weken keerde Maurits terug naar Arnhem. Vanaf dat moment sliep hij niet meer thuis, maar aan de Van de Spieghelstraat in Arnhem. Maurits bracht daar  ook boeken over het Jodendom in veiligheid.

Josef en Margaretha Bamberger: Arnhem, Amsterdam, Bergen-Belsen
Het leven ging door en op 4 augustus 1942 trouwden Josef en Margaretha in Arnhem. Ze  hadden beiden een (voorlopige) vrijstelling van deportatie (een 'Sperre'), omdat Margaretha secretaresse was bij de Joodse Raad in Arnhem en Josef technisch medewerker. Ze gingen aan de Dijkstraat 4 wonen, zegt de huwelijksaankondiging, maar op hun persoonskaart staat Dijkstraat 6, het adres van Margaretha's ouders.
(Huwelijksaankondiging Josef en Margaretha, het Joodsche Weekblad 31 juli 1942)

 
In november 1942 verhuisden Josef en Margaretha (mogelijk gedwongen) naar Amsterdam naar de Chr. De Wetstraat 2. Daar werd op 12 augustus 1943 hun dochtertje Esther geboren. Het meisje werd zo snel als mogelijk ondergebracht bij neef Benno Bamberger, die aan het Afrikaanderplein 9 woonde. Josef en Margaretha zelf doken onder, waar en hoe is onbekend. We kunnen hen weer traceren, wanneer zij begin januari 1944 in Den Haag worden gearresteerd. Op 12 januari 1944 komen zij in Westerbork aan en verblijven - uitzonderlijk - nog twee weken in de strafbarak 67, 'opgehouden' door typhus in Bergen-Belsen. Op 1 februari 1944 worden zij alsnog op transport gezet naar Bergen-Belsen. 

(Persoonskaarten Joodse Raad van Josef en Margaretha, Arolsen Archieven)

 
Broer Maurits overleeft in Arnhem
Margaretha’s broer Maurits Prins (1921-2003) had een onderduikadres in de Roemer Visscherstraat 37 in Arnhem. Daar woonde Gerard (Albertus) Goldschmidt, hoofd van de christelijke school van de Agnietenstraat in Klarendal. Maurits bleef daar de hele oorlog ondergedoken en evacueerde in de septemberdagen van 1944 'gewoon' mee met de familie, zoals meer Joodse onderduikers deden. Hij overleefde en emigreerde in 1946 naar Israël, toen nog Brits Mandaat Palestina.

September 1943, baby Esther naar Nijmegen
‘Mijn moeder Hennie Hovestad-Jansen woonde in Oosterbeek en kwam uit een groot gezin in Arnhem’, vertelt Anneke van Zinderen Bakker. ‘Twee van haar getrouwde zussen woonden met hun echtgenoten in Nijmegen, zij zaten in het verzet. Het waren Dien en Gerard van Eimeren-Jansen en An(neke) en Ep Brendel-Jansen’. An en Ep namen indertijd baby Esther Bamberger van zes weken oud in hun huis op. 

Dat kwam zo: Esther Bamberger werd op 28 september 1943 door de familie Benno Bamberger - op weg naar Westerbork - in de drukte en verwarring op station Muiderpoort 'afgegeven' aan de Arnhemse verzetsvrouw Sietske Hoekstra. Sietske was voor die gelegenheid gekleed als non. Op die manier had ze een paar weken eerder ook de zesjarige Sallo van Gelder onder haar mantel meegenomen (2). Hoewel Sietske het aanbood, wilde de familie Benno Bamberger hun zoontje  niet 'afgeven', wel baby Esther. De familie zette hun reis voort en Sietske nam Esther mee naar Arnhem. 

Ongelukkigerwijze werd Sietske's verloofde Loek Visser in september 1943 bij zijn moeder in Arnhem gearresteerd. Hij was een neef van An en Dien en zat evenals Sietkse in het verzet Arnhem-Nijmegen. Sietkse woonde in Arnhem niet ver van Loek. An, Dien en Gerard waren bij haar op bezoek toen het bericht over zijn arrestatie kwam en besloten toen om baby Esther  mee te nemen naar Nijmegen. Zij brachten haar onder bij An en Ep op het adres Haagbeukstraat 21 in Nijmegen. An's man Ep was al een tijdje 'onder de radar' in verband met verzetsactiviteiten. Hij was machinist van het Nijmeegse Sportfondsenbad. 
An en Ep noemden de baby Ineke en zorgden liefdevol voor haar. Ook An’s zus Dien en haar man Gerard van Eimeren-Jansen van de Leeuwstraat 69 droegen hun steentje bij. Sietske richtte zich intussen geheel op de bevrijdingsactie van haar verloofde Loek Visser in de Koepelgevangenis in Arnhem. De actie werd op 18 februari 1944 met succes bekroond (3). 

April 1944, het loopt mis in Nijmegen
Op 27 april 1944 loopt het mis met An, Dien en Gerard. De verzetsgroep wordt na verraad gearresteerd door de beruchte Nijmeegse politieagent A.H.(Anton) Wiebe. Hij was lid van de 'Politieke Dienst', een aparte politie-afdeling van fanatieke NSB'ers en Jodenjagers. An Brendel en de kleine Ineke (Esther) wonen op dat moment in bij Dien en Gerard van Eimeren aan de Leeuwstraat 69. An en Ep hadden namelijk hun huis aan de Haagbeukstraat beschikbaar gesteld voor dakloze Nijmegenaren na het bombardement van februari 1944. Ep Brendel was nog steeds 'onder de radar' omdat hij werd gezocht voor hulp aan aan Joden en het verzet. Hij had bijvoorbeeld tijdens de april/mei staking van 1943 het Nijmeegse Sportfondsenbad laten leeglopen, voordat Duitse soldaten er de volgende dag zouden gaan zwemmen. Ook saboteerde Ep telefoonkabels, zamelde geld in voor het verzet en verspreidde, net zoals An, de destijds illegale verzetskrant Vrij Nederland.


(Ep Brendel, collectie Jean Brendel)


Esther Bamberger: Westerbork, Theresiënstadt, London
De arrestanten An, Dien en Gerard werden overgebracht naar het Huis van Bewaring in Arnhem en vervolgens op 8 mei 1944 naar Kamp Vught. Ook Esther Bamberger kwam met An in het Huis van Bewaring. Waar Esther vanaf 8 mei tot eind juni verbleef is niet bekend, mogelijk werd zij elders in de provincie ondergebracht. Zeker is dat zij  eind juni/begin juli 1944 in Westerbork aankwam. Van daaruit ging zij met de kinderen en verzorgsters van 'het Weeshuis’  op 4 september 1944 op transport naar Theresiënstadt. 
Esther overleefde uiteindelijk het kamp dankzij (Johanna) Bella Zellermayer (1918-1967) uit Amsterdam, een bekende van de familie Bamberger en verpleegster van 'het Weeshuis' (4). Zij ontfermde zich in het kamp over Esther en adopteerde haar zelfs. Beiden overleefden en werden bevrijd op 8 mei 1945. Bij terugkomst in Nederland zorgde Bella voor Esther en hield ook contact met Maurits Prins, overlevende van de familie. Uiteindelijk werd Esther in september 1945 ondergebracht aan de Highbury Quadrant in London bij de zus en zwager van haar vader Josef Bamberger, Julie (1911) en Jonas (1901) Bondi-Bamberger.


(Johanna Bella Zellermayer met Esther Bamberger, privé collectie)

 

An, Dien en Gerard gedeporteerd, Ep duikt onder in Oosterbeek
Dien's man Gerard van Eimeren werd vanuit het Huis van Bewaring in Arnhem naar kamp Vught gebracht, waar hij in de beruchte 'Bunker' van kamp werd gezet. Vervolgens kwam hij in de gevangenis de Wolvenhoek in Utrecht terecht en van 27 juni-25 juli 1944 in kamp Amersfoort. Hij moest weer terug naar de Wolvenhoek in Utrecht, waar hij zijn definitieve 'vonnis' te horen kreeg: dwangarbeid. Hij werd naar een reeks van kampen in Duitsland gestuurd: naar Essen, Dieburg (bij Darmstadt), Birnau en in de buitencommando's Staudach/Egerndach. Hij overleefde alle kampen en overleed in 2008.
An Brendel en Dien van Eimeren kwamen na Vught in het vrouwenkamp KZ Ravensbrück terecht, waar An te werk werd gesteld in het Siemenskommando en Dien vemoedelijk in de textielateliers. An overleed in het kamp op 19 november 1944. Dien van Eimeren-Jansen had meer geluk, zij kwam vanuit Ravensbrück met het zogenaamde ‘Witte Bussen’ transport veilig in Zweden aan en keerde vandaar naar Nijmegen terug (5). Zij overleed in 2010. 

Ep Brendel (1913-1985), de man van An, had zich al die tijd onder de rader gehouden en dook uiteindelijk bij familie in Oosterbeek onder. ‘Hij liep van Nijmegen naar Oosterbeek en dook onder bij mijn ouders, de familie Hovestad-Jansen aan de van Ewijkweg 12 (nu het dubbelpand 51) in Oosterbeek’, aldus Anneke van Zinderen Bakker-Hovestad. Ep evacueerde in september 1944 met de familie Hovestad mee naar Meulunteren, een buurtschap bij Lunteren, maar was in januari 1945 al weer in Nijmegen, toen bevrijd gebied. Hoe hij uit bezet gebied wist te komen, is onbekend.

(An Brendel-Jansen, collectie Anneke van Zinderen Bakker-Hovestad)

Josef en Margaretha Bamberger: Bergen-Belsen, Tröbitz en Maastricht
Josef en Margaretha, de ouders van de kleine Esther, verbleven intussen in Bergen-Belsen. Toen de Britten oprukten besloten de Duitsers het door typhus vergeven kamp in april 1945 gedeeltelijk te ontruimen. Talloze gevangenen (60.000) bleven achter. maar zo'n 7000 werden in drie treinen richting Theresienstadt in Tjechië gezet. De laatste van de drie treinen strandde na een dwaaltocht van dertien dagen bij Tröbitz. Op 23 april 1945 vonden oprukkende troepen van het Rode Leger de stilstaande trein en bevrijdden de 2.500 uitgeputte gevangenen (6). De soldaten bekommerden zich weinig om hen.
Onder de gevangenen waren Josef en Margaretha Bamberger. Margaretha was er zo slecht aan toe dat zij op 8 juni 1945 overleed, zij werd in Tröbitz begraven. Ook Josef was totaal verzwakt door de  typhus en werd door het Franse Rode Kruis nog gerepatrieerd, maar geneeskundige hulp mocht niet meer baten. Hij overleed op vrijdag 6 juli 1945 in Maastricht aan longtuberculose, zoals op zijn kaart staat vermeld.

 

De briefjes van Josef Bamberger
Vóór zijn overlijden liet de totaal verzwakte Josef een briefje voor zijn moeder in Londen opstellen met het verzoek om voor Esther te zorgen. Zijn moeder echter was al gestorven en zo kwam het verzoek terecht bij de zus van Josef in Londen Julia Bondi-Bamberger, waar Esther in september 1945 naar toe werd gebracht. Esther Bamberger groeide er op, trouwde, kreeg kinderen en leeft als Mevrouw March-Bamberger nog altijd in Engeland. Een aantal van haar kinderen woont in Engeland, een aantal is naar Israël geëmigreerd.

Ook had Josef te kennen gegeven dat hij begraven wilde worden 'onder de hoede' van zijn oom en tante in Arnhem. Daar hebben zijn zwager Maurits Prins en neef Samuel Cohen gehoor aan kunnen gegeven, wat onder de heersende omstandigheden - Arnhem was nog een geëvacueerde stad - een hele toer geweest moet zijn. Op maandag 9 juli 1945 werd Josef op Moscowa in Arnhem begraven naast zijn oom Joëll Vredenburg en zijn tante Esther Bamberger. Op zijn persoonskaart van de Joodse Raad elders in dit artikel staat ten onrechte dat hij in Amsterdam begraven is. Op zijn graf in Arnhem staat: ...'Hij overleed op de heilige Shabbat 26 tammoez 5705 door een ziekte die hij opliep in [Bergen]-Belsen en zijn dierbare vrouw met goede eigenschappen, een bekoorlijke ree, zij stierf tijdens zijn leven op 2 5 sivan 5705 en haar graf is in Tröbitz'.


Maurits Prins emigreert naar Brits Mandaat Palestina
Overlevende Maurits Prins keerde na de oorlog via zijn oude onderduikadres bij de familie Goldschmidt aan de Roemer Visscherstraat 37 terug naar Van de Spieghelstraat in Arnhem (7). Al snel leerde hij via familie in Amsterdam Gertrud Karoline Auerbach (Hamburg 1918-Jeruzalem 2017) kennen. Het stel verloofde zich in Amsterdam. Gertrud (Trudel) was na de Kristallnacht in 1938 uit Hamburg naar Amsterdam gevlucht en werkte als kindermeisje bij de familie David Nordheim. Ze dook onder bij Jan en Grietje Troelstra in Ylst bij Sneek. Na de oorlog verkreeg zij een Palestina-certificaat via familie daar en vertrok in juni 1946 met de SS Cairo naar het Brits Mandaat Palestina. Tijdens de bootreis had zij vier kleine kinderen van de familie Nordheim onder haar hoede.

Maurits Prins vertrok een maand later - zonder certificaat - van La Ciotat (bij Marseille) naar Palestina aan boord van het illegale immigranten schip Yagur. Twaalf dagen later ankerde het schip voor de haven van Haifa, waar het werd onderschept door de Britten. De illegale passagiers werden verscheept naar kampen op Cyprus. Daar zat Maurits voor een half jaar gevangen tot hij vergunning kreeg om aan boord van de SS Ocean Vigour in december 1946 in Haifa te landen. In 1947 trouwden Getrud (Tirtsa) en Maurits (Moshe) in Jeruzalem. Het echtpaar kreeg twee zonen Eliëzer (Eliahu) en Joseph (Yossi) en een dochter Varda (8). Maurits heeft met zijn drie kinderen nooit gesproken over wat hem overkomen is in die vijf oorlogsjaren.


(Brendel-Jansenstraat, privé collectie)

 

Brendel-Jansenstraat in Nijmegen
In de Waalsprong Lent-Nijmegen (Lent/Hof van Holland) zijn 23 straten vernoemd naar leden van het Nijmeegse verzet. Ook het echtpaar Brendel werd geëerd met een straat: de Brendel-Jansenstraat. An Brendel moest haar verzetswerk met de dood bekopen (9). De beide ouders van Esther Bamberger stierven door uitputting als gevolg van de kampen. De kleine Esther zelf overleefde dankzij het verzet in Arnhem-Nijmegen en Bella Zellermayer, haar redder in Theresiënstadt.

 

februari 2026

met dank aan Anneke van Zinderen-Hovestad voor haar uitgebreide documentatie en foto's uit haar privé-collectie.


Noten
(1) https://www.joodsmonumentarnhem.nl/p/p/f.php?flexpag_id=178&rubriek_id=12

(2) Voor het verhaal van 'non' Sietske Hoekstra en Sallo van Gelder, zie Henk Vis, Sallo's ontsnapping, uitgave in eigen beheer, 2019 en https://www.christenenvoorisrael.nl/artikelen/de-joodse-sallo-werd-gered-dankzij-een-persoonsverwisseling. Zie ook de film Aangrijpend verhaal van Joods jongetje Sallo van Gelder uit Aalten met een foto van Sietske Hoekstra. 

 

(3) Sietske Hoekstra heeft vanaf dat moment alles in het werk gesteld om haar verloofde Loek Visser te bevrijden. Op 18 februari 1944 werd de ter dood veroordeelde door zijn kameraden bevrijd uit de Koepelgevangenis in Arnhem. Het huzarenstukje werd geleverd door de Nijmeegse knokploeg onder leiding van Theo Dobbe. Twee van diens mannen hadden zich voorgedaan als SD-agenten. Zij telefoneerden naar de Koepelgevangenis en kondigen aan dat gevangene nummer 601 zou worden opgehaald voor verhoor. Een telefoniste van het schakelstation in Arnhem zat in het complot. Toen de gevangenisbewaking de opdracht wilde verifiëren via een telefoontje naar het SD-kantoor, schakelde ze door naar een van de KP’ers in Velp die het bevel snauwend bevestigde. De verzetsmannen reden vervolgens in een geleende auto over spekgladde wegen naar de Koepelgevangenis en kregen Loek Visser mee. Visser was al zwaar gemarteld en kon niet geloven dat hij bevrijd was. Pas toen ze het SD-kantoor voorbijreden en hij een sigaret kreeg, begreep hij dat het waar was.
(Bron:‘Beloof me één ding: waag niet het leven van mijn jongens om mij eruit te halen. Ik houd het hier wel uit.’)
Na zijn bevrijding doken Loek en Sietske onder in Velp, later in Nijmegen bij de familie Alink (en op nog een ander onbekend adres) en tenslotte vanaf 27 april 1944 in Friesland. 
Loek Visser en Sietske Hoekstra worden genoemd in het verhaal Alijda Bachrach-Jacobs bevrijdde acht gevangenen uit Westerbork op onze site (zie noot 1 bij het verhaal). Alijda zat in de verzetsgroep van Loek Visser. 

 

(4) De Duitse Bella Johanna Zellermayer was in 1918 naar Nederland gekomen. Zij woonde in Amsterdam op vier adressen en werkte als verpleegster in het Emma kinderziekenhuis, dat aan de Sarphatistraat 104 lag. Het ziekenhuis verhuisde in 1988 naar het AMC, het werd in 2014 grotendeels afgebroken, er kwam een hotel. 
Bella werd in 1927 genaturaliseerd, zoals blijkt uit haar registratiekaart van Amsterdam. Daarop staat ook te lezen dat ze op enig moment aan de Verlengde Rijnkade 120 in Arnhem gewoond had. Dit Arnhems pand is met de huisnummers 120-124 al voor de oorlog gesloopt in verband met de bouw van de Rijnbrug in 1936. De Arnhemse adresboeken uit die tijd vermelden: 'vervallen'. Alleen huisnummer 126 bestond in de oorlog nog aan de oostzijde van de brug. In Amsterdam woonde zij van 1930 tot haar overlijden in 1967 in de Nieuwe Spiegelstraat 68 II.

(5) De Witte Bussen (in het Zweeds: Vita bussarna) was een reddingsactie van het Zweedse Rode Kruis en de Deense regering in het voorjaar van 1945 die zich primair richtte op het bevrijden van Scandinavische gevangenen uit de Duitse concentratiekampen (bron: Wikipedia)

(6) Het Verloren Transport ('Der Verlorene Zug'). Ook wel het 'Vergeten Transport' genoemd. Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Verloren_transport


(7) Herman en Geertje Prins uit Arnhem waren familie van het gezin Prins van de Dijkstraat. Ook zij kwamen uit de kampen terug. Zij waren echter niet gelovig en aten niet koosjer. Daarom ging Maurits Prins na de oorlog niet naar hen, maar naar zijn oude 'slaapadres' van de Spieghelstraat, op welk nummer is onbekend. Maurits had in de oorlog in dat huis boeken over het Jodendom in veiligheid gebracht. Het huis werd in 1944/1945 waarschijnlijk niet geplunderd. Na de oorlog heeft Maurits nog contact gehad met zijn zwager Jonas Bondi-Bamberger in Londen, want hij wist niet wat hij met de boeken moest doen (bron: Anneke van Zinderen Bakker-Hovestad)

(8) Bron: https://www.joodsmonument.nl/nl/page/662365/afbeelding-bij-maurits-prins en correspondentie met Naftaly Godesh Tal’or in maart 2026. Voor Gertrud Karoline Auerbach's verblijf in Amsterdam en Friesland, zie Mosjee Nordheim over de onderduik, Bergen-Belsen, Lion Nordheim, Sjear Jasjoew en Alijah

 

(9) Zie voor An en Ep Brendel-Jansen en haar zus Dien en Gerard Eimeren-Jansen: https://www.oorlogsdodennijmegen.nl/persoon/brendel-jansen/839c8947-c6d8-472a-a657-126701d2312c


Bronnen

Janssen, Bart, Het verdriet van Nijmegen 1940-1945, Nijmegen 2019, uitgeverij Vantilt
Klijn, Margo, De stille slag. Joodse Arnhemmers 1933-1945, Westervoort [Arnhem], 2003 / 2014 
Nolet, Anneke, Vrouwen en verzet. In het Rijk van Nijmegen 1940-1945, Nijmegen 2020, uitgeverij Vantilt

Jan Hof, Dubbele slag in Arnhem, de KP kraken van de Koepel en het Huis van Bewaring, VBK Media, 2004
Henk Vis, Sallo's ontsnapping, Aalten 2019,  uitgave in eigen beheer,

Karin Mulder, 'Vergeten verzetsheld formeerde knokploegen tegen de Duitsers, maar moest later zijn eigen graf graven', de Gelderlander 5 september 2024

Archiefmateriaal familie Bamberger
Herinneringscentrum Westerbork

Nederlands Instituut voor Oorlogs Documentatie (NIOD) Amsterdam 

https://www.oorloginnijmegen.nl/images/PDF/De_onderduik_Joden_die_van_elders_in_Nijmegen_onderdoken_v0300.pd


Verwijzing

Op de persoonlijke pagina's van Josef BambergerMargaretha Bamberger-Prins, 

Liepman PrinsCato Prins-van Aalst en Joël Vredenburg wordt verwezen naar dit verhaal. Alijda Bachrach-Jacobs zat ook in de verzetsgroep van Loek Visser. Lees het verhaal Alijda Bachrach-Jacobs bevrijdde acht gevangenen uit Westerbork op onze site.

 

Locatie Joods Monument Arnhem:
Kippenmarkt/Jonas Daniël Meijerplaats